Topaz

Tegen de late jaren zestig was Hitchcock een man die niet alleen
moest vechten tegen veranderende tijden, maar ook tegen zijn eigen
reputatie. Hij was ondertussen een levende legende geworden, wiens
klassiek werk uit de jaren veertig en vijftig beschouwd werd als
het toppunt van suspense, en wiens herkenbaarheid, dankzij de
tv-show ‘Alfred Hitchcock Presents’, haast ongezien was voor een
regisseur. Het gevolg was dat alles wat de man in die periode deed,
bijna automatisch een teleurstelling moest zijn – voor zijn fans
zou het nooit het niveau halen van ‘Rear Window’ of ‘North By
Northwest’, en bovendien had het publiek nu een heel ander
referentiekader: ‘Topaz’ werd gemaakt in 1969, een jaar na ‘Easy
Rider’, in hetzelfde jaar als ‘Midnight Cowboy’. In vergelijking
met die opkomende nieuwe cinema leek de klassieke aanpak van
Hitchcock houterig en gedateerd. ‘Topaz’ is een dieptepunt in
Hitchcocks carrière, die zelfs achteraf bekeken, met de toegevingen
die je al makkelijk eens maakt voor een groot regisseur op zijn
retour, simpelweg slecht aan elkaar hangt en zich log en
ongemakkelijk voortbeweegt.

1962. Boris Kusenov, een hooggeplaatste Soviet-wetenschapper,
loopt over naar het westen, en verraadt aan de CIA dat Rusland
wapens vervoert naar Cuba. Veel details heeft hij daar niet over,
maar hij weet wel dat Cubaans diplomaat Rico Parra (John Vernon) in
het bezit is van papieren die alles van naadje tot draadje
uitleggen. CIA-agent Michael Nordstrom (John Forsythe), roept de
hulp in van zijn Franse vriend en collega Devereaux (Frederick
Stafford) om aan die papieren te raken en vervolgens op Cuba
bewijzen te zoeken van de aanwezigheid van de wapens. En
passant
komt Devereaux ook te weten dat er een spionagering
bestaat in de Franse inlichtingendienst, onder de naam Topaz.

In navolging van het boek van Leon Uris waar de film op
gebaseerd is, biedt ‘Topaz’ dus een gefictionaliseerd verslag van
de gebeurtenissen die aanleiding gaven tot de Cubaanse
rakettencrisis van oktober 1962. Hitchcock had zich al eerder in de
Koude Oorlog gewaagd, met het half geslaagde ‘Torn Curtain’ in
1966, maar baseerde zich voor het eerst rechtstreeks op de
historische werkelijkheid. Wat best nog wel van lef getuigde – de
Koude Oorlog was, uiteraard, nog volop bezig, de rakettencrisis lag
nog vers in het geheugen en de moord op Kennedy had het hele land
een trauma bezorgd. ‘Topaz’ rakelde dat allemaal terug op, wat ook
een mogelijke verklaring is voor het gebrek aan commercieel succes
ervan. Het gebrek aan artistiek succes is makkelijker uit te
leggen: het scenario had maar wat beter aaneen moeten hangen.

‘Topaz’ is immers een sporadisch intrigerende film, die lijdt
aan een verschrikkelijk gebrek aan focus – elke akte van de film
lijkt zijn eigen mini-plot te hebben, die in meer of mindere mate
samenhangt met de vorige. Eerst krijgen we de pogingen van de
Amerikaanse en Franse geheime dienst om de papieren rond Cuba te
veroveren (intrige 1). Daarna vertrekt Devereaux naar Cuba om daar
de Russische wapens te fotograferen (intrige 2, die nog redelijk
logisch volgt op intrige 1), en ten slotte krijgen we de
ontmaskering van de spionnengroep in Parijs (intrige 3, die haast
een bijgedachte lijkt na de vorige twee). De inzet van het verhaal
verschuift twee keer, wat onder andere als gevolg heeft dat tijdens
het laatste half uur van de film hoofdpersonage Devereaux
nauwelijks nog meespeelt. Na anderhalf uur een ander karakter
plotseling naar het voorplan sleuren, je moet al heel erg sterk in
je schoenen staan om daar mee weg te raken, en het lukt Hitchcock
niet. De stuurloze aanpak van de plot (“en dan nu nog iets helemaal
anders”) zorgt er ook voor dat ‘Topaz’ begint te slepen. Hij lijkt
veel langer te duren dan hij is.

Het verhaal (of beter gezegd, de verhalen) geven af en toe nog
wel aanleiding tot knappe scènes, inclusief één waarin de Russische
plannen gestolen moeten worden uit de hotelkamer van de Cubaan Rico
Parra, maar die zijn te zeldzaam om de vele dode momenten op te
vangen. Vooral wanneer Hitchcock – voor de vorm – probeert om zijn
personages wat uitdieping te geven. De relatie tussen Deveraux en
zijn vrouw, zowel als zijn vriendin op Cuba, wordt aangewend om hem
van wat broodnodige menselijkheid te voorzien, maar je merkt dat
het Hitchcock niet echt kan schelen. Telkens wanneer hij een
intieme scène draait, valt de hele boel dood in het water, tot de
spionageplot weer op gang komt.

De acteurs helpen niet echt – ‘Topaz’ is een festijn van ‘Allo
‘Allo-Engels, met acteurs die verplicht worden om te spreken in
Franse accenten die vaag doen denken aan Pepe Le Pew en, voor de
Cubanen, Spaanse tongvallen à la Speedy Gonzalez. De Cubanen zien
er overigens onveranderlijk uit als mislukte klonen van Fidel
Castro, met identieke baarden en sigaren die het volume aangeven
van elk woord dat ze zeggen. Zelfs gereputeerde acteurs als Marcel
Piccoli en Philippe Noiret weten niet met welk hout pijlen
maken.

‘Topaz’ staat bekend als een erg moeizame productie, met een
scenario dat gaandeweg werd herschreven – voor een controlefreak
als Hitchcock, die zijn films doorgaans al als afgewerkt beschouwde
eens het scenario klaar was en er geen letter meer aan veranderde,
moet dat de hel zijn geweest. En jammer genoeg valt dat er aan af
te zien: de plot werkt niet (zeker niet in het derde deel), de
acteurs zijn ongeloofwaardig (de CIA-agenten lijken weggelopen uit
een oude aflevering van ‘Dragnet’ of ‘The Untouchables’) en het
hele ding lijkt eindeloos te duren. Wat een spannende thriller had
kunnen zijn over een actueel onderwerp, werd daardoor wellicht de
grootste mislukking uit een illustere carrière.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × 3 =