The Dodos :: Visiter

U herinnert zich vast nog de kranige yank Seasick Steve die een tijd geleden geheel onverwacht in de spotlights belandde. De man met baard bedient zich opvallenderwijs van een plank met één snaar (officieuze naam: “gitaar”) en begeleidt zijn songs met het ritme van zijn bottine. Gitaar en drums dus. The Dodos uit San Francisco is een duo dat het net als de oude zeebonk slechts van rammeldende gitaren en in het oog springende percussie moet hebben. En de groep steekt daarbij op Visiter het indiegenre in één moeite nog eens in een fris kleedje.

Om meteen maar elk scheefgroeiend verwachtingspatroon recht te trekken: The Dodos lijkt voorts in niets op Seasick Steve (of het zouden de voorzichtige bluesinvloeden moeten zijn), en er wordt al zeker niet op monotone wijze over honden gezongen. Maar er is dus dat ene ding waar je niet omheen kan wanneer je deze Visiter beluistert, en dat is de nadrukkelijke aanwezigheid van drums die vaak rudimentair aandoen. Stichtend lid Meric Long, die enkele jaren geleden solo als Dodobird begon, was destijds al into Afrikaanse trommels. Toen Logan Kroeber, een metaldrummer, hem enige tijd later kwam vervoegen, was een rode draad voor de splinternieuwe formatie niet ver meer te zoeken.

Als The Dodos legden Long en Kroeber in 2006 een eerste ei dat ze Beware Of The Maniacs doopten en dat de brug maakte tussen het singer-songwritergeluid van Dodobird en de door percussie gedreven sound waarbij de band op Visiter is aanbeland. Dat het gezelschap twee jaar later alweer wat beter raad weet met gelegde eieren, bewijze het vormelijk weinig oogverblindende spiegelei op de hoes van deze plaat. Alle ongein op een stokje: wat op Beware Of The Maniacs nog klonk als een experiment, lijkt nu op een uitgepuurd geluid waarmee Long en Kroeber wel voor even aan de slag kunnen.

Toch willen we ook weer niet gezegd hebben dat The Dodos volledig vast te pinnen is op een indiegeluid met daarin een nadrukkelijke plaats voor donderende percussie. Het tweeledige “Joe’s Waltz” illustreert misschien het best het spectrum van The Dodos; een lullaby-achtige insteek, met Long op heldere verkouden-mannen-zang en een slacky gitaartje dat vier minuten in slaap sust, zonder te waarschuwen voor een plotse energie- en tempowisseling die een snoeiende finale inleidt, met Long die predikt en gitaren die gegeseld worden, om van de drums natuurlijk maar te zwijgen. Het zijn slechts songs als “Winter” of het sferische “The Season” die met hun junglesferen (blazers! onbestemde kreten!) en hun Afrikaanse roffelgolven wel voluit de kaart van de percussie trekken.

Aan de andere kant van het spectrum vinden we ‘kleine’ liedjes als “Undeclared” of het wat overbodige “Park Song” die deze Visiter met hun lome sfeer bij momenten ietwat aan schwung doen inboeten. Dan liever het uitstekende “Jodi” — in een ideale wereld een geheide hit — dat het moet hebben van zijn heerlijk rammelrockende refrein waarin, jawel, een potten-en-pannendrumstel een prominente rol speelt, zoals dat ook het geval is in uptempo broertjes “Red And Purple” en “Fools” die voorwaar al eens op de radio te horen zijn. Dodos as it’s meant to be met onbeschaamd geschurk tegen het (achter)werk van genregenoten als Animal Collective of Akron/Family.

Heerlijk aan Visiter is ten slotte de mate waarin de plaat verstoken is gebleven van al te veel onnodige productie. Hierdoor klinkt het geheel even helder als één met de natuur, en dat wederom niet in het minst door de exquise percussie waarmee Kroeber de folkliedjes van zijn kompaan van een nieuwe dimensie voorziet. Zware brokken als “The Season” of “God?” worden aan het eind rechtgehouden door dit originele groepsgeluid, zo dankbaar ontleend aan het Afrikaanse continent enerzijds en de progressieve metalscene anderzijds. Horen we u nog met uw bottines, Seasick?

The Dodos staat op 15 augustus op Pukkelpop. Pik het mee.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

14 + 17 =