The Dodos :: No Color

Frenchkiss Records, 2011
Witchita Recordings

Herinneringen aan het indiefolkcollectief The Dodos uit San
Francisco voeren ons terug naar Dour 2009, alwaar zij met gepaste
trots hun ‘Time to
Die
‘ door het grote publiek lieten bewonderen. Al kon diezelfde
plaat ons, eerlijk toegegeven, in vergelijking met het wonderlijke
Visiter‘ van
amper een jaar voordien weinig charmeren. ‘Fables’ bood ons een
bijzonder goed excuus om met de heupen te wiegen, maar veel verder
dan dat ging het niet. Tijd voor herbronning dus. Alle vibrafonen
aan de kant geschoven, staan The Dodos anno 2011 opnieuw op hun
begeerlijke poten. De bekoring die zowat iedere zomerse noot op hun
laatste wapenfeit ‘No Color’ teweegbrengt, is daar wel het beste
bewijs voor.

Uitgestorven zijn deze vreemde vogels aldus nog bijlange niet.
De soepele overgang van de nummers op ‘No Color’ bezorgt de plaat
een perfecte coherentie die wat ons betreft tijdens de zwoelere
tijden van het jaar eindeloos op repeat hoort te staan.
Instant vrolijkheid is alvast verzekerd met deze vlotte jongens uit
Frisco. ‘No Color’ biedt een ongemeen boeiende soundtrack
voor een dagje aan het strand of een uiterst geschikt geneesmiddel
tegen hartenpijn. De al dan niet gevoelige snaren die gitarist
Meric Long weet te bespelen zijn van bijzonder fantasierijk
formaat. Het is echter de vindingrijke percussie van Logan Kroeber
die zich leidraad toont op deze avontuurlijke trektocht doorheen de
ontluikende lente.

Het is dan ook bevreemdend te noemen dat The Dodos vier albums
lang toch vrij onder de radar van de populaire hitlijsten gebleven
zijn. Hitgevoeligheid bezitten ze alvast meer dan genoeg om
opgemerkt te worden: ‘No Color’ staat er bol van, in navolging van
meezingers ‘Fools’ en ‘Winter’ op ‘Visiter’. Dit alles wordt
overgoten met een niet meteen uniek, maar wel buitengewoon
aanstekelijk indiefolksausje. Als Mumford & Sons
ieder tienerhart mag veroveren en The Tallest Man on
Earth
de ideale schoonzoon van uw ongetwijfeld kieskeurige
moeke vormt, dan overheersen The Dodos binnenkort het
universum. ‘No Color’ is dan ook gewaagder dan bovenvermelde namen.
De plaat zoekt met verrassende vindingrijkheid naar de stevigere
invalshoeken, zonder enige charme teloor te laten gaan. Spek voor
ieders bek mag lieflijke folk dan misschien niet vormen, ‘No Color’
doet alvast een verdienstelijke poging om zich compleet in uw hart
te wringen.

En hoe! Opener ‘Black Night’ komt als een wervelwind op de
luisteraar af. The Dodos tonen zich van hun poppy kant
zonder enigszins te vervelen, om u voor u het goed en wel beseft
met rake drumslagen toch volledig van uw melk te slaan. De variatie
zorgt er gedurende de volledige langspeler voor dat The Dodos
blijven boeien. Toch weet deze afwisseling niets aan samenhorigheid
in te boeten.

Het nadeel is wel dat enkele nummers de neiging kunnen hebben om
onopgemerkt de revue te passeren. Zo is de overgang tussen ‘Black
Night’ en ‘Going Under’ volkomen geruisloos. ‘Going Under’ lijkt
vervolgens voort te kabbelen op een minder avontuurlijk tempo, om
opnieuw te verrassen wanneer je dat het minst verwacht. ‘Good’
rockt rustig verder (ja, dit is een paradox) en doet bijwijlen
zelfs denken aan de samenzang van Blood Red Shoes,
zonder enige poppunknoot aan te raken. Het letterlijk slopende
einde van het nummer verdwijnt haast in noisy sferen. Lang
zal deze verlichting wederom niet duren: opvolger ‘Sleep’ toont
zich allesbehalve slaapverwekkend, maar juist bijzonder
verkwikkend, tot op het kinderlijk gereciteerde refreintje af.

‘Don’t Try to Hide’ vat in wezen deze plaat samen – oh wee als u
het aandurft uw positieve gemoederen na het beluisteren van dit
vertier te verstoppen. Longs gitaar toont zich prominent op het
vrolijke gedreun van dit nummer. Een pak minder jolig gaat het er
dan ook aan toe tijdens ‘When Will You Go’, al kan dat de pret niet
bederven. ‘Companions’ is onovertrefbaar wat schoonheid betreft, en
opnieuw zit Meric Long hier voor heel wat tussen. Het meest
vertederende moment op het album wordt bereikt door zijn vlijtig
tokkelen.

Het is echter niet al lof voor ‘s mans gitaar wat de klok slaat.
Tevens hebben wij de eer om Kroebers percussie te kronen tot de
onverwachte factor die ieder liedje in stand houdt wanneer het
dreigt weg te deinen tot nietszeggende pop. De hemelse sferen die
gestreeld worden aan het begin van ‘Hunting Season’ doen zelfs
denken aan de betere postrocksnufjes. De typerende indiefolk neemt
al even snel weer de bovenhand, en wordt na verloop van tijd zelfs
even afgewisseld met strakke rockintermezzo’s. Het resultaat is een
kleurrijke cocktail van wat toch wel onze favoriete genres moeten
zijn. Deze bevooroordeeldheid is echter meer dan gerechtvaardigd.
‘No Color’ is dan ook zonder twijfel een parel van een plaat.

Drijfveren genoeg dus om voor één keer geen kleur te bekennen,
maar gewoonweg gelukkig te zijn op de tonen van ‘No Color’. Het is
lente met reden!

Deze vreemde diersoort is te bewonderen op zaterdag 14 mei
tijdens Les Nuits Botanique.

http://www.dodosmusic.net

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien + 17 =