Mongol




120

Genghis Khan. Bij het horen van zijn naam alleen al beginnen
zwaarden van goesting te kletteren, Mongolen heroïsch op hun
borstkas breder dan een bed te bonken en flitst de bliksem stoer en
ongeduldig in het rond. Dat Genghis Khan de allergrootste en
machtigste krijger ooit was, daar bestaat geen twijfel over.
Tegenover hem is Alexander een kleintje en zijn de Romeinen
mietjes. Op het toppunt van zijn kunnen strekte zijn
buitenverblijfje zich dan ook uit van Hongarije tot Vietnam en ook
nu nog is de invloed van de potente knakker vrij letterlijk
voelbaar: maar liefst 8 procent van de Aziatische bevolking draagt
nu nog de genen van here Genghis in zich, goed voor zo’n zestien
miljoen afstammelingen. Maar hoe is het zover kunnen komen? Wat
dreef één enkele Mongool in de 12de eeuw ertoe om bijna
half de wereld te veroveren? Wie was de man achter de eeuwenoude
legende? Dat vroeg de Russische regisseur Sergei Bodrov (‘Prisoner
of the Mountains’) zich blijkbaar samen met ons af, alleen werd hij
er zo horendol enthousiast van dat hij meteen tekende voor een
trilogie. In dit eerste deel van de ‘Mongol’-drievuldigheid maken
we kennis met de kleine Genghis Khan, toen nog Temudgin geheten, en
herbeleven we zijn harde jeugd, zijn eerste zelfzekere passen
richting khan-zijn én zijn beginnende strijd om alle Mongoolse
stammen één te maken.

Het verhaal begint in 1172 wanneer Temudgin op 9-jarige leeftijd
samen met zijn vader, een befaamde khan, een bruid gaat uitkiezen.
De kleine bink valt meteen voor Borte, een sterke meid met stevige
benen die een grote rol zal spelen in zijn leven. Op de terugweg
wordt zijn vader echter vergiftigd en neemt de jaloerse krijger
Targutei de plaats van zijn vader in als leider van de stam.
Temudgin slaat op de vlucht, maar hij is ten dode opgeschreven,
want Targutei zal niet rusten vooraleer hij Temudgins hoofd op een
sateetje gespietst heeft. Het blijkt voor Temudgin het begin van
een uitputtend, rusteloos leven on the road, in een land
waar een man zonder paard geen echte man is. Op zijn weg ontmoet
hij o.a. zijn bloedbroeder Jamuka, die later zijn grootste vijand
zal worden en verliest en vindt hij zijn Borte meermaals weer.

Natuurlijk is ‘Mongol’ niet volledig waarheidsgetrouw. De
opperste leider zoals Tadanobu Asano hem neerzet, lijkt een zachte
familieman die sporadisch wat koppen snelt. Zijn duistere reputatie
van woeste vernietiger wordt hier met de mantel der liefde bedekt.
Om maar te zwijgen van zijn liefdesleven: de hele film loopt hij
trouw als een verliefde mus achter zijn vrouwtje aan… moeten zijn
poeperkezwamdagen in zijn harems dan allemaal nog in de volgende
twee delen aan bod komen? Maar voor één keer willen we best een
oogje op een spleetje knijpen. Wanneer er zo weinig geschreven
documenten over bestaan, is het vrijwel onmogelijk om een verhaal
dat 800 jaar geleden plaatsvond geschiedkundig correct na te
vertellen. De legende van de mysterieuze held is sindsdien
duizendmaal langs de radio couloir gepasseerd en ‘Mongol’
is daar één versie van (misschien niet de versie die de meester er
zelf van zou gemaakt hebben, maar kom). Sergei Bodrov ratelt geen
geschiedenislesje af, maar wou gewoon een smakelijk spannende film
maken en daar slaagt hij aardig in. ‘Mongol’ is entertainend en
Bodrov bewaart alvast het juiste evenwicht tussen actie en
persoonlijke ontwikkeling van de personages.

De massieve hoeveelheid aan veldslagen, gebeurtenissen en
weetjes uit Genghis Khan’s leven weet Bodrov met wisselend succes
in een volledig chronologisch geheel te gieten. Wat helpt is dat
hij ervoor kiest om een duidelijke focus te leggen op de drijfveren
van Temudgin door de jaren heen. Lach niet met de zwakke welp, hij
kan uitgroeien tot een sterke tijger: Temudgin wordt heel zijn
leven steeds neergepitst door een reuzehandvol vijanden en
tegenslagen, maar krabbelt steeds terug overeind. What doesn’t
kill you, only makes you stronger.
Die focus is ook meteen een
zwak punt: door vooral die fragmenten uit zijn leven te liften en
in strak chronologische volgorde achter elkaar te plakken, krijgt
de film meer thematische samenhang, maar lijkt het verhaal hier en
daar wel te grote sprongen te maken en gaten achter te laten. Zo is
Borte de ene minuut een prostitué, de andere een rijke prinses.
Twee scènes waar natuurlijk enkele jaren tussenliggen, maar het
doet wel eventjes een ‘waar is de draad gebleven?’ opruien. Ook de
overstap van de jonge acteur die Temudgin in zijn kindertijd speelt
naar de Japanse Asano gebeurt te cru – daar had gerust nog een
jongere ‘overgangsacteur’ tussen gekund. Asano ziet er met zijn
wapperende leeuwenmanen nog goed uit, maar zestien is hij ook niet
meer. Het zorgt er alleszins voor dat de Genghis-to-be er over een
tijdsspanne van pakweg dertig jaar steeds hetzelfde blijft
uitzien.

Het ritme zit dus hier en daar wat scheef – soms te traag en
soms te snel – en het verhaal voelt eerder aan als aan elkaar
genaaide fragmenten, maar binnen die brokken slaagt Bortov er wél
in om ons met mooie plaatjes te verblijden. Een daverend applaus
voor moeder aarde, want wat kan ze er toch verdraaid mooi uitzien,
wanneer er een in bontjas gestopt Mongooltje zich door haar
winterse uitgestrektheden waagt. De beeldvoering is gewoonweg
prachtig, zonder dat er gepocht wordt met alles wat de crew op
cameravlak kan. Natuurlijk worden bij de veldslagen de gekende
truken van de foor bovengehaald en worden de gevechten versneld om
een zwaardsteek kracht bij te zetten en krijgen we slow motions om
het in bolletjes zwevende bloed uit lichamen te laten vloeien. Het
gaat echter nooit zo schichtig snel dat je er niets meer van ziet,
zelfs de strategie van Temudgin bij zijn aanval valt gemakkelijk te
volgen. En die gorgelzangen en vette balkanbonken zetten elke
doorwinterde Mongoolse ruiter die met zijn ronde messen zijwaarts
op een leger afstormt, alleen maar oerkracht bij.

Er is zelfs ruimte voor humor, bijvoorbeeld in de scène waarin
Temudjin uit een lange rij meisjes zijn bruid moet kiezen (kijk
naar de benen! ze moet sterke benen hebben!) of de
dronkemansverbroedering met de excentrieke kopstoten uitdelende
Jamuka. Een fris briesje zelfrelativering waait daardoor door deze
groots opgezette blockbuster, iets waar in gelijkaardige
Amerikaanse peplums veel minder plaats voor is. In vergelijking met
‘Alexander’ of ‘Troy’, gaat ‘Mongol’ er iets minder serieus en
overdreven ‘testosteronnig’ aan toe, zonder het mysterieuze rond de
held hierbij te verliezen. De ‘stille waters, diepe gronden’-
interpretatie die Tadanobu Asano aan de grote meester geeft, mag
dan niet geheel stroken met de werkelijkheid (hij kan grommen, maar
kan hij ook bijten?), hij geeft de leider wel een raadselachtig
charisma mee, zeker met dat geperkamenteerde gelaat. De kleine
Temudjin (dat farse smoeltje) en zijn mooie Borte moeten als
acteurs niet voor hem onderdoen en leveren in het begin van de film
(dat niet toevallig het meest samenhangend is) alvast de beste
scènes op.

‘Mongol’ is een overdonderende epische reis doorheen de unieke
Mongoolse tradities en het boeiende leven van de man die in de
Middeleeuwen alle atlassen domineerde. Prettig vertier en hoogst
vermakelijke verstrooiing met een visuele flair waar de mond van
openvalt en het hart van gaat zingen, maar door de
schoonheidsfoutjes en onevenwichtigheid valt het spektakel net niet
zo groots uit als de dondergoden ons hadden ingefluisterd.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × drie =