Ben-Hur




De muziek schalt tijdens de ouverture uit de luidsprekers alsof
de componist je nog voor de eerste scène plat wilt walsen met
trompetten, trommels en hemelse koren. In 2.70 breedbeeld (nog
breder dan wat we tegenwoordig standaard te zien krijgen) zoomen we
langzaam maar zeker uit van een detail van de Sixtijnse kapel – de
schepping van Adam. En in letters zo groot als kathedralen vlamt de
titel op het scherm: ‘Ben-Hur: A Tale of the Christ’. Yup,
dit is een film gemaakt door mensen voor wie het woord “ironie” een
volstrekt onbekend begrip was – ‘Ben-Hur’ was een bloedserieuze
poging om de grootste, meest spectaculaire, meest ontzagwekkende
film ooit te maken. Als je vandaag een prent zou maken die zichzelf
zo ernstig neemt, en zo oprecht probeert om onvergetelijk te zijn,
dan zou je waarschijnlijk worden weggelachen. Maar in 1959 werkte
het – ‘Ben-Hur’ is nog steeds één van de ultieme epossen én een
film waar ze me altijd voor mogen wakker maken. De shock and
awe-
tactiek van regisseur William Wyler heeft nog steeds
effect.

Het verhaal is kinderlijk eenvoudig: Judah Ben-Hur (Charlton
Heston) is een joodse prins van Judea, die na vele jaren zijn
kindervriend Messala (Stephen Boyd) terugziet. Messala, een Romein,
is ondertussen opgeklommen tot gouverneur van de regio en
schijnbaar volledig gehersenspoeld door de militaire praatjes over
de superioriteit van Rome. Hij verlangt van Judah om rebellen tegen
de Romeinse overheersing aan te geven. Wanneer Judah weigert, is
dat het begin van een verschrikkelijke vete tussen de twee. Messala
grijpt de eerste kans die hij krijgt aan om Judah en zijn familie
te arresteren. Zijn moeder en dochter verdwijnen ergens in een
vochtige kerker, hij zelf wordt veroordeeld tot de galeien.

‘Ben-Hur’ is nog steeds één van de grootst opgezette producties
ooit gemaakt. Duizenden figuranten, een zeeslag waarin
verschillende schepen vlammend de dieperik ingaan en natuurlijk een
legendarische paardenrace die twintig minuten duurt. De pracht en
praal stralen van elke seconde van de film af, wat historisch
geplaatst kan worden in de campagne die de bioscopen eind jaren
vijftig ondernamen tegen de televisie. Aan het begin van dat
decennium maakte de kijkkast definitief zijn intrede in Amerikaanse
huishoudens, en bijgevolg bleven de mensen steeds meer thuis. De
cinema’s hadden geen volk meer, en dus gingen de filmmakers op zoek
naar ervaringen die het publiek onmogelijk thuis kon beleven. En zo
kwamen er steeds meer grote epossen, in kleur en breedbeeld
gefilmd, met stereo geluid en elke vijf minuten een nieuwe
spektakelscène.

Het probleem met dat soort megaproducties is wel dat je al snel
vervalt in holle mooifilmerij, en veel van die films worden
tegenwoordig dan ook louter nog aanzien als kitsch – zoek maar eens
‘Quo Vadis’ op, of het lichtjes lachwekkende ‘Demetrius and the
Gladiators’. Het zag er misschien wel knap uit, maar het ging
nergens over. De enige reden waarom die films werden gemaakt, was
omdat de producenten wilden pochen met hun sets en kostuums.
‘Ben-Hur’ heeft minder last van die kwaal. Het verhaal, afkomstig
van het boek van Lew Wallace, deed al de ronde in Hollywood sinds
er in de jaren twintig een eerste, stomme filmversie van werd
gemaakt, en is opvallend omdat het typisch Amerikaanse waarden weet
binnen te smokkelen in een Romeins epos. Het centrale conflict in
‘Ben-Hur’ is immers dat tussen een man die een fascistoïde systeem
vertegenwoordigt, dat mensen onderdrukt, bezet en bovenal in het
gareel wilt houden (Messala), en een man die de persoonlijke
vrijheden verdedigt van zichzelf, zijn familie en zijn volk
(Judah). Misschien is het overdreven om te stellen dat Messala in
deze fifties-versie de repressie van het communisme
belichaamt terwijl Judah America the free is, maar er valt
iets voor te zeggen.

Het is ook opvallend dat ‘Ben-Hur’ de ondertitel ‘A Tale of the
Christ’ meekrijgt, terwijl Jezus Christus in feite maar weinig in
het verhaal komt doen. De film opent met een proloog waarin het
geboorteverhaal van Jezus op vijf minuten wordt samengevat, maar
verwijst Christus vervolgens drie uur lang naar het verdomhoekje,
tot Judah getuige is van zijn kruisiging. In feite is de
aanwezigheid van Jezus er hier aan de haren bijgesleurd, tenzij op
één punt: Judah is pas in staat om zijn wrok tegenover Messala te
overwinnen nadat hij Christus gekruisigd heeft zien worden. En op
die manier wordt hij de eerste jood die zich bekeert tot het
christendom.

Da’s allemaal subtext. Maar het voornaamste is dat het verhaal
in dit geval sterk genoeg is om het spektakel te ondersteunen. Wat
er ook gebeurt, de dramatische lijn in de film is zo krachtig dat
ze nooit overweldigd wordt door de actiescènes. Het is een beroemde
Hollywoodlegende dat regisseur William Wyler tijdens de opnames
vond dat de vete tussen Ben-Hur en Messala niet voldoende
gemotiveerd was. Script doctor Gore Vidal suggereerde toen
dat de twee tijdens hun jeugd misschien een homoseksuele relatie
hadden, en dat de weigering van Judah om mensen aan te geven dan
ook gelijk stond aan een weigering om de affaire opnieuw te
beginnen. Messala’s woede is dan de woede van een afgewezen
minnaar. Charlton Heston is dat verhaal tot aan zijn dood blijven
ontkennen – de gedachte alleen al bezorgde hem allicht
hartkloppingen – terwijl de rest van de crew het bevestigt. Hoe dan
ook, als je niet weet dat die homoseksuele ondertoon er in zit,
lijkt de kans me klein dat je hem opmerkt. Het punt is dat je de
haat tussen de twee kunt geloven, en die drijft de rest van de
film.

Een film die overigens ondanks een lengte van meer dan drie en
een half uur nooit lijkt te slepen. Nuchter bekeken overtreedt
William Wyler hier een aantal basisregels voor elke spektakelfilm:
de climax van de prent is ontegensprekelijk de wagenrace, maar eens
die voorbij is duurt de film nog ruim een half uur. En wanneer het
einde dan toch komt, is het niet met een grote actiescène, maar met
een piëta in felle primaire kleuren: Christus hangt aan het kruis,
een onweer barst los en er vindt zowaar een mirakel plaats. Einde
film. Hoe komt je als regisseur met zoiets weg? Misschien heeft het
wel iets te maken met de overtuigingskracht van filmmakers die
zonder een spoor van ironie aan het werk zijn. Ze menen het
allemaal zo oprecht, dat je er toch in meegaat.

Dat laatste geldt ook voor de acteerprestaties, vooral die van
Charlton Heston. Heston stond bekend als een stijve hark zonder
noemenswaardig gevoel voor humor (check zijn dodelijk serieuze
rollen in films als ‘Touch of Evil’ en vooral ‘Planet of the Apes’
damn you all to hell!). Maar voor ‘Ben-Hur’ is juist die
oprechtheid precies wat je nodig hebt. Zo’n rol moet je 100 procent
straight spelen, want anders valt de hele film in het
water. Heston wordt omringd door de Britse klassebakken die vaste
gezichten werden in dit soort producties, zoals Jack Hawkins en Sam
Jaffe.

‘Ben-Hur’ is een film die zijn eigen onvolkomenheden glansrijk
overwint, simpelweg door een eindeloze lef en gusto in de
strijd te gooien. Het lijkt wel alsof de producenten een briefje
aan hun muur hadden hangen: when in doubt, spend more
money.
Het is misschien een beetje fout en zelfs een beetje
kitscherig, maar beter entertainment zul je niet snel vinden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig − 11 =