Crumb




119 min. /
USA / 1994

Afhankelijk van wie je het vraagt, is Robert Crumb een artistiek
genie of een doodgewone viespeuk. Een satirist of een pornograaf.
Een meester van sociale ironie of een vrouwenhater. Hij is in ieder
geval de patroonheilige van de underground comic books,
als auteur van strips als ‘Fritz the Cat’ en ‘Mr Natural’. Ongeveer
halverwege de jaren zestig ontstond voor het eerst grote
belangstelling voor Crumbs werk, en sindsdien is hij niet meer weg
te denken uit de wereld van adult comics. Met zijn drukke,
vaak ontzettend gedetailleerde tekeningen werd hij een voorloper
van de tegencultuur, die de vastgeroeste waarden van het
traditionele Amerika niet zomaar in vraag stelde, maar er een bom
op liet vallen. De comics van Crumb barsten van de seks en
het geweld: vrouwen worden verkracht, moeders doen het met hun
zonen, vaders met hun dochters, personages worden onthoofd en
zwarten worden regelmatig opgevoerd als karikaturale kannibalen met
een bot door hun haar en een ring in hun neus. Zijn stripverhalen
waren zó doelbewust en radicaal fout dat een reactie niet kon
uitblijven – de goegemeente zag hem als baarlijke duivel, de
underground cultuur van de jaren zestig en zeventig als
een held.

Terry Zwigoff, de man die later nog ‘Ghost World’ en ‘Bad Santa’ zou
regisseren, leerde Crumb kennen via een organisatie van liefhebbers
van 78-toeren platen. De twee mannen raakten bevriend en zo kwam er
dan dit project: een intimistische film waarin wordt gepeild naar
de persoonlijkheid van één van de meest vereerde en omstreden
figuren uit de wereld van de Amerikaanse grafische kunsten. Het
resultaat werd een immens fascinerend portret van een man waar
duidelijk een steekje aan los zit.

Het voornaamste punt van controverse in Crumbs werk is altijd
zijn representatie van seks en vrouwen geweest. De dames in zijn
strips zien er steeds hetzelfde uit: forse vrouwen met epische
borsten en weidse konten, die tegenover veelal slungelige mannen
worden geplaatst. De seks is dan ook navenant, met beelden van iele
ventjes die ongeveer even breed zijn als één been van de vrouwen
waarmee ze aan het neuken zijn, en die in extreme gevallen zelfs
helemaal in de vagina van hun minnares verdwijnen. Crumb legt ons
de plot uit van een verhaal dat hij ooit tekende, over een man die
een vrouw zonder hoofd mee naar huis neemt: je hebt het lichaam,
zonder het gezeur van het hoofd erbij. Thuis bespringt hij die dame
(uiteraard alweer goed voorzien van oren en poten), enkel om
achteraf te ontdekken dat ze wel degelijk een hoofd heeft, maar dat
dat helemaal weggedrukt zat in haar lichaam. In een ander verhaal
krijgen we een orgie tussen vader, moeder en hun twee kinderen.
Vader laat zich pijpen door z’n prepuberale dochter, moeder
vertoont zich plots in dominatrix-outfit. In het laatste paneel
verzuchten de beide ouders dat ze wat meer tijd zouden moeten
vrijmaken voor het gezin.

Dat is heavy shit, en Zwigoff laat critici aan het
woord die op zeer redelijke manier argumenten aandienen voor én
tegen de waarde van dat soort werk. Enerzijds laat Crumbs werk zich
natuurlijk gemakkelijk verdedigen als satire: de tekenaar wil het
Amerikaanse kerngezin deconstrueren en de hypocrisie tonen die
erachter schuilgaat. Hij wil de seksuele mores van zijn tijd
ontmaskeren, wat de bizarre seksuele handelingen verklaart. Maar
anderzijds is het ook een geldige vraag waar satire eindigt en
perversie begint. Crumb geeft zelf toe dat hij zijn eigen werk
opwindend vindt. Wanneer een interviewer hem vraagt of hij iets
tegen vrouwen heeft, moet hij antwoorden “dat dat inderdaad wel
ergens in hem zit”.

Zwigoff suggereert dat de sleutel tot Crumbs persoonlijkheid in
zijn verleden ligt, en hij besteedt veel tijd aan interviews met
zijn moeder en twee broers (hij heeft ook nog twee zusters, maar
die wilden niet meewerken aan de film). Het gezin Crumb was
waarschijnlijk het meest disfunctionele in de recente Amerikaanse
geschiedenis: zijn vader was een zatlap die ooit Roberts
sleutelbeen brak, zijn moeder zat op het moment van filmen nog
steeds aan de amfetamines. Van de drie broers is Robert zelfs nog
de meest normale van het gezelschap, in de zin dat hij als enige
een carrière en een soort van sociaal leven heeft kunnen opbouwen.
Zijn oudere broer Max woont in San Francisco, is ook een artiest,
maar leeft als een kluizenaar. Elke dag zit hij een paar uur lang
op een plankje met nagels. Zijn andere broer Charles is er nog
erger aan toe: die heeft zich opgesloten in zijn kamer thuis, bij
zijn moeder, en leest daar ononderbroken oude romans. Hij komt
vrijwel nooit buiten, heeft nooit een vriendinnetje gehad en zit
aan de tranquilizers om de dag door te komen. Een jaar na het
filmen van zijn interview pleegde hij zelfmoord.

Er zat dus iets fundamenteels verkeerd in dat gezin. Geen van de
drie broers kon op een normale manier omgaan met seks: alledrie
waren ze zo pijnlijk verlegen met meisjes dat ze zich collectief
terugtrokken in de fantasiewereld van de stripverhalen. Ze tekenden
allemaal mee aan hun comic book projecten, die toen al een
uitlaatklep boden voor hun frustraties. Charles bekent dat hij
destijds vier of vijf keer per dag masturbeerde. Robert liep rond
met een tekening van Bugs Bunny in z’n portefeuille, omdat hij daar
opgewonden van werd. Wanneer een kerel die zich aftrekt op Bugs
Bunny later in z’n leven strips gaat tekenen over vrouwen zonder
hoofd maar met dikke konten, dan wéét je dat er meer aan de hand is
dan een intellectuele satire op seks in Amerika.

Terry Zwigoffs documentaire is opzienbarend in de zin dat er
niet wordt gekozen voor de traditionele chronologische aanpak van
de doorsnee biografische film. We krijgen geen archiefbeelden van
de jaren veertig, vijftig of zestig, toen Crumb opgroeide, de
herinneringen van het gezin worden niet netjes op volgorde gezet en
referenties naar andere personen of gebeurtenissen worden niet
altijd meteen uitgelegd. Zwigoff volgt Crumb gewoon waar hij gaat
en staat, en vraagt ondertussen uitleg. Crumb, een graatmagere
figuur met een bril en hoed die te groot lijken voor zijn hoofd,
geeft continu commentaar met een eerlijkheid die bijzonder
ontwapenend werkt. Wanneer hij vertelt over zijn seksuele fixaties,
doet hij dat met een soort van schuldige glimlach, alsof hij wil
zeggen: “Ja, ik weet dat het niet helemaal normaal is, maar ik kan
er ook niks aan doen.” Het gevolg is dat je, ondanks jezelf,
ongelooflijk veel sympathie voor hem gaat voelen. Crumb komt
hieruit naar voren als een man die nooit “normaal” zal worden,
nooit tot de goegemeente zal behoren en dan maar al zijn
weirdness en fantasieën vorm heeft gegeven in zijn werk.
Werk dat je misschien afstotend kunt vinden, maar dat je nooit mag
veroordelen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 + 10 =