The Bridge on the River Kwai




156 min. / UK
/ 1957

David Lean maakte zeventien films, waarvan de meesten
ondertussen tot het canon van cinemaklassiekers zijn gaan behoren:
zijn kleine, Britse producties, zoals ‘Great Expectations’ en
‘Brief Encounter’, worden nog steeds gekoesterd door cinefielen
overal ter wereld. Maar het algemene publiek kent hem
waarschijnlijk vooral van zijn drie grote spektakelfilms, ‘The
Bridge on the River Kwai’ uit 1957, ‘Lawrence of Arabia’ uit
’62 en ‘Doctor Zhivago’ uit ’65. Drie epische producties, die samen
een soort van informele trilogie vormen en die in de vier
tussenliggende decennia zijn uitgegroeid tot
zondagnamiddagklassiekers van formaat. Terecht ook wel: alledrie de
producties profiteren van een epische vormgeving en voldoende
verhaalkundige flair om eender wie twee of drie uur lang mee te
slepen. ‘Lawrence of Arabia’ was waarschijnlijk de beste van de
drie. ‘The Bridge on the River Kwai’ volgt vlak daarop.

Het verhaal draait rond een groep Britse soldaten die in 1943 in
Birma terecht komen in het Japanse krijgsgevangenenkamp van kolonel
Saito (Sessue Hayakawa). Daar krijgen ze de opdracht om een brug te
bouwen over de rivier Kwai, die Maleisië met Rangoon moet verbinden
en zo het transport van materiaal en manschappen moet
vereenvoudigen. Brits bevelhebber Nicholson (Alec Guinness op z’n
best) wil z’n manschappen gerust laten werken, maar weigert, in
navolging van de Conventie van Genève, om als officier zelf aan de
slag te gaan. Er volgt een verbeten mentale strijd tussen hem en
Saito, maar uiteindelijk moet de Japanse commandant toegeven. Vanaf
dat moment maakt Nicholson er een erezaak van om de brug niet
alleen te bouwen, maar hem zelfs zo snel en goed mogelijk in elkaar
te steken. “Over vele jaren, als deze oorlog gedaan is, moeten
mensen deze brug nog gebruiken en weten wie hem gebouwd heeft. Geen
slaven, maar trotse Britse soldaten!” In zijn Brits eergevoel neigt
Nichsolson echter gevaarlijk naar collaboratie.

En dan is er ook nog de Amerikaanse soldaat Shears (William
Holden), die al lang niet meer gelooft in heroiek en alleen wil
ontsnappen. Tegen alle verwachtingen in lukt hem dat ook, maar eens
hij het Britse leger heeft kunnen bereiken, wordt hij meteen
overhaald om mee te gaan op een missie om de brug weer op te
blazen.

Eén van de redenen waarom David Lean zo’n goeie epossen
afleverde, was omdat hij inhoudelijk nooit een onderscheid wilde
maken tussen een grootschalig spektakelstuk of een kleiner,
intimistisch drama zoals hij dat eerder had gemaakt. Ongeacht het
budget of de setting, wilde hij nooit met andere narratieve
standaards aan de slag gaan. Neem nu een hedendaags epos à la
‘Gladiator’: dat
verhaal is eigenlijk maar weinig soeps en erg veel
personageontwikkeling zit er ook niet in, maar als je daarover
klaagt, krijg je al gauw te horen “dat dat ook de bedoeling van die
film niet is”. Het is tenslotte geen zwaar drama, maar spektakel,
amusement. David Lean redeneerde zo niet, en zocht altijd naar het
emotionele of intellectuele conflict in zijn films. ‘Lawrence of Arabia’ ging
over een identiteitscrisis, ‘The Bridge on the River Kwai’ gaat
over twee mannen die allebei zodanig vastgeroest zitten in hun
persoonlijke visies op eergevoel en nationale trots, dat ze elkaar
nooit zullen begrijpen en uiteindelijk op de rand van de waanzin
komen.

Nicholson is de sleutelfiguur: één en al Britse trots, een
militair tot in z’n kleine teen, weigert hij om plotseling het
bevel over zijn mannen af te geven omdat hij toevallig gevangen is
genomen. Zijn soldaten nemen op geen enkel moment rechtstreeks
bevelen aan van de Japanners, het gaat altijd via hem of één van
zijn onderofficieren. Zijn motivatie om zo hard te werken aan de
brug is simpel: ‘We zullen die Jappen eens tonen wat je met Britse
werklust kan bereiken.’ In feite wil hij Saito’s authoriteit
ondermijnen. Let op een scène waarin Saito Nicholson naar zijn
kamer laat komen om hem te overhalen toch mee te werken aan de
brug. Hij heeft Nicholson net dagenlang in een zweethok gestoken,
maar toch is het de Brit die na enkele welgemikte replieken de
overhand krijgt. ‘Als ik de brug niet op tijd afkrijg, dan moet ik
zelfmoord plegen,’ klaagt Saito. ‘Wat zou u in mijn plaats doen?’
Nicholson antwoordt gortdroog: ‘Zelfmoord plegen.’ Daarna nodigt
hij Saito vriendelijk uit om te gaan zitten, in zijn eigen kamer.
Twee mannen met een enorm eergevoel staan tegenover elkaar, maar de
Brit wint, voornamelijk omdat hij veel minder te verliezen
heeft.

Is ‘The Bridge on the River Kwai’ dan enkel Britse propaganda?
Niet echt. Eens Nicholson Saito zover heeft gekregen dat de
officieren niet moeten meewerken, is de Engelsman immers bezeten
door het idee om de brug op tijd af te krijgen en er zelfs één van
te maken die zeshonderd jaar zal blijven staan. Hij rationaliseert
zijn ijver door te zeggen dat het werk goed is voor het moreel van
de mannen, maar uiteindelijk helpt hij er wel de vijand mee. Dat is
het moreel dilemma waar de hele film op draait: Nicholson komt in
een situatie waarin de vijand helpen en zijn mannen helpen aan
elkaar worden gelijkgesteld. De waanzin van de oorlog, noemen ze
zoiets.

De plotlijn met Shears en zijn ontsnapping werkt minder goed,
juist omdat ze traditioneler is. De moedige Amerikaan die ontsnapt
en achteraf op missie gaat door de jungle, het is allemaal klassiek
jongensboekspul. Boeiend, dat wel, maar de mentale spelletjes
tussen Nicholson en Saito zijn veel complexer en interessanter.

Dit was de eerste keer dat Lean in Cinemascope filmde (het was
dan ook een nieuw procédé), en je merkt dat de regisseur er alles
aan heeft gedaan om dat immens brede scherm zo efficiënt mogelijk
te benutten. De camerabewegingen zijn relatief zeldzaam en vestigen
niet echt de aandacht op zich, maar de mise-en-scène, de eigenlijke
compositie van de shots, is nooit minder dan spectaculair. Let op
al die scènes waarin de mannen in rijen op appèl staan op de
binnenplaats van het kamp. Op de voorgrond zien we Saito in
confrontatie met Nicholson, op de achtergrond zien we hoe de
onderofficieren zenuwachtig naar hen kijken. Lean werkt hier met
driehoeks- en vierhoekscomposities die niet alleen het scherm
netjes benutten, maar ook bijdragen aan de dramatiek van de
situatie: de onderofficieren kijken naar hen, de twee commandanten
kijken naar elkaar én ze weten dat er naar hen gekeken wordt door
de anderen. Zonder aan plaatjesfilmerij te gaan doen, weet Lean een
(in die tijd) heel nieuwe vorm te verzoenen met een goed
uitgedachte inhoud.

En dan zijn er nog de acteurs: William Holden kreeg als
Hollywoodster top billing en staat ook zeer degelijk te
acteren, maar het is Alec Guinness die het meest indruk nalaat: een
hele film lang lijkt hij onverwoestbaar in z’n Britsheid, maar in
de allerlaatste scènes toont hij plotseling een heel nieuwe
dimensie van zijn personage. Het was oscartime voor Guinness, en
terecht.

‘The Bridge on the River Kwai’ is nog steeds, bijna vijftig jaar
na dato, briljante cinema, én de leverancier van één van de
bekendste “flauwe-plezante”-liedjes ter wereld
(Sjarel…). Verplichte kost.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 + 2 =