Funny Games




108 min. /
Oostenrijk/ 1997

Alle stokbroden nog aan toe, de eerste keer dat ik
‘Funny Games’ zag, was ik serieus van mijn melk. De Oostenrijkse
Michael Haneke slaat je zonder pardon tot goulash met zijn
experimentele film waarbij een onschuldig gezin én het publiek de
testcase uitmaken. Met zijn beklemmende set-up en confronterende
registratie van een folter-eens-een-gezinsdrama, is dit beslist
niet het soort film waarbij je in het rond gaat dansen van
esthetisch genoegen of waarna je meteen ‘bis’ of ‘olé’ uitroept.
Knoop het goed in je oren, ‘Funny Games’ is een film die beklemt en
benauwt, die onder je huid kruipt én je met een voyeuristisch
schuldgevoel opzadelt. Geen goddelijke genotservaring tijdens het
kijken dus – het is pas later, wanneer je de film even hebt laten
bezinken, dat je Haneke kan loven voor wat hij je net heeft
aangedaan. Koud laten doet deze film alleszins niemand: je wordt er
eventjes stil van, maar je hebt evenveel nood om er naderhand over
te praten. What the fuck was dit? Geen idee, maar het
werkte.

Eigenlijk is ‘Funny Games’ het prototype van een film waar je
best niets op voorhand over weet. Hier geldt: hoe maagdelijk witter
het blad der verwachtingen en voorkennis, hoe groter het effect.
Voor wie zich toch niet kan houden, het verhaal laat zich
gemakkelijk samenvatten: Georg (wijlen Ulrich Mühe die de hoofdrol
speelde in ‘Das
Leben der Anderen’
), zijn vrouw Anna (Susanne Lothar) en
zoontje Georgie komen aan in hun buitenverblijf in de buurt van een
meer. Twee mysterieuze jonge kerels in witte trui, kort wit shortje
en witte handschoenen dralen rond hun huis. Ze noemen zichzelf
Peter en Paul. De twee snaken willen eieren lenen, maar na een
twist waarbij één van de twee met een golfclub de knieschijf van
Georg verbrijzelt, komt hun ware bedoeling naar boven: ze willen
een spelletje spelen. Het gezin wordt in hun eigen huis gegijzeld
en de twee jongens sluiten een gruwelijke weddenschap met het
drietal: als ze de volgende dag om 9 uur nog in leven zijn, dan
hebben zij gewonnen. De strijd op leven en dood kan beginnen…

Drie mensen in de val gelokt… inne minne mutte, wie
blijft er over? Vergeet die typische slasherfilm of ‘torture porn’
of welk filmscenario er bij het lezen van deze synopsis ook maar in
je geheugen voorgeprogrammeerd zit. Wanneer één van de killers
recht in de camera kijkt en de kijker een vette knipoog geeft, voel
je dat dit geen guilty pleasure slachtpartijtje met
ronddretsende ingewanden of een ode aan het thrillergenre wordt.
Als je één hoofd hoort kraken, dan zal het het jouwe zijn. Haneke
gaat doelbewust tegen de conventies in, waardoor de hele film een
parodie wordt op het genre. En om dat doel te bereiken gaat hij op
een eigenzinnige manier tewerk.

‘Funny Games’ wordt vrij sober in beeld gebracht, met gewone
lichtinval (als het te donker wordt buiten, steekt men het licht
aan, zo simpel is dat) en normale camerastandpunten. Er is dus geen
sprake van extra obscuur gemaakte beelden, stroboscopische montage
of schokkende handheld camera om het thrillergehalte aan te
zwengelen. Hij manipuleert de kijker evenmin tot opschrikmomenten
met jachtige thrillermuziek. Op de openingsscène na (de heavy metal
van John Zorn die het ‘raad de opera’-spelletje van Anna en Georg
brutaal onderbreekt en meteen de toon zet dat de gelukkige
gezinssituatie niet pluis zal blijven) is er zelfs helemaal geen
muziek te horen in de film. Extra tierlantijntjes blijken ook niet
nodig om de film spannend te houden: de sterke opzet, de hete adem
van Pietje de Dood in je nek én de twee creepy slechteriken zijn
genoeg om het in je broek voor te doen.

Paul en Peter zijn geen doorsnee seriemoordenaars; ze zien eruit
als witte engeltjes, niet ‘donker en lelijk’, zoals het kwade vaak
wordt afgebeeld. Ze zijn beleefd (wie heeft beslist om te
tutoyeren?
), lijken welgesteld en intelligent en een écht
trauma ter verklaring van hun wandaden hebben ze ook niet.
Opvallend is ook hun radde tong en hun bedrevenheid in het ‘uit de
nek lullen’: ze zijn specialisten in verwijten bij de andere leggen
(jullie zijn begonnen!) en vreemde redeneringen opruien om
de tijd te rekken. Blijkbaar zijn ze al zodanig bedreven in hun
spelletje, dat ze ‘just for fun’ de tijd volkletsen met
kwelpraat om het plezier van de vernedering wat langer te laten
duren.

Door de realistische, trage en afstandelijke aanpak en de
psychologische teistering van Paul en Peter wordt de kijker zich
bewust van zijn rol in het gebeuren. Zeker wanneer Paul zich
rechtstreeks tot de kijker richt. Hij is zich als enige bewust van
het feit dat hij in een film meespeelt en hij lijkt constant
bezorgd over het entertainmentgehalte ervan (jullie willen toch
een spannende film?
). Paul betrekt de kijker met rechtstreekse
vragen en commentaar bij het verhaal en confronteert hen met hun
ervaring: ‘wij halen hier gruwelijk kattenkwaad uit, maar jullie
zitten er wel mooi naar te kijken’, lijkt hij te verkondigen. Als
kijker wordt je op die momenten even wakkergeschud uit je
filmervaring en dat geeft een vreemd dubbelgevoel. Enerzijds doet
het beseffen dat het fictie is en anderzijds voelt de miserie juist
veel levensechter aan dan de geweldfilms zoals we ze kennen. In die
films weten we waaraan we ons mogen verwachten en hoe het verhaal
zal verlopen. Hier worden we plots persoonlijk aangesproken op ons
schuldgevoel. Zeker de terugspoelscène (waarbij het innerlijke
gejuich van de kijker meteen in de kiem gesmoord wordt) bewijst hoe
we ons in films aan een bepaald verwachtingspatroon vastklampen.
Een patroon dat Haneke helemaal overhoop gooit, wat ons danig in de
war brengt. ‘Funny Games’ is de eerste thriller waarin de kijker
“het gedaan heeft”, meer nog dan de twee jongens. Want als wij
rechtstaan en de zaal verlaten, of de dvd afzetten voor het einde,
dan leeft het gezin nog. Blijven we zitten, tja… Dat is de morele
verantwoordelijkheid waar Haneke ons mee confronteert. Gewoon door
zijn rol als kijker te spelen, wordt het publiek medeplichtig.

Wat maakt ‘Funny Games’ dan uiteindelijk zo’n kopstoot van een
filmervaring? De manier waarop Haneke het geweld in beeld brengt.
Hij toont nergens expliciet geweld. De suggestie is er wel, we
horen wat er gebeurt, maar de gruwelijkheden worden bewust buiten
het beeldkader gehouden. Haneke legt de focus niet op de agressie,
maar op wat het met een mens doet: we zien het lijden en het
verdriet. Anna en Georg in een scène van wel tien minuten lang,
terwijl de twee emotioneel gebroken zielen zich gewoon proberen los
te maken. Die in stilte en tranen gehulde scène blijkt moeilijker
om naar te kijken dan verwacht. “Ik probeer geweld opnieuw te
herleiden tot wat het werkelijk is: pijn, een misdaad tegenover
iemand anders.”
Iets dat je niet zomaar kan slikken als een
bakje popcorn, maar dat als een krop blijft steken achterin je
keel. Bij dit verhaal zien we het ware lijden van de slachtoffers
en kunnen we ons onmogelijk inleven in de motivatie van de
sadistische daders, waardoor het geweld allesbehalve een
adrenalineshot geeft of ‘cool’ is. Zonder één druppeltje bloed te
zien vloeien, is deze aanpak tien keer confronterender.

Het is duidelijk dat Haneke met ‘Funny Games’ de kijker uit zijn
kot wil lokken, op zijn paard krijgen, zelfs een beetje misselijk
maken als het kan, als hij maar iets voelt, iets van een reactie
hierop geeft. Samen met ‘C’est Arrivé Près de Chez
Vous’
van Rémy Belvaux, ook al zo’n beer van een film, behoort
‘Funny Games’ tot de beste wake-upfilms ooit rond geweld in de
media en het allesslikkende standpunt dat de kijker hier soms bij
inneemt. En net als die ijzersterke metafilm is ook ‘Funny Games’
een geslaagd experiment met een grote impact, tijdloos en actueler
dan ooit. Een beest van een film!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

2 × 5 =