Edward Scissorhands







Waar
regen vandaan komt, dat weten we onderhand allemaal wel. Dat zijn
engeltjes die moeten huilen (naargelang de omvang van hun verdriet
van mot tot stort) of heel dringend moeten plassen en met hun
kleine vleugels niet tijdig tot bij het heilige toilet geraken
(vandaar ook een plas). Hoe sneeuw wordt gemaakt, dat is een héél
ander verhaal. Dát heeft Tim Burton ons in zijn typische geuren en
kleuren uit de doeken moeten doen. Zijn betoverende anderhalf uur
durende versie van de oorsprong van dit fascinerende
natuurverschijnsel – ofwel ‘Edward Scissorhands’ – is een magisch
sprookje waar onze hele movieredactie met een
Pavlov-trefzekerheid van 9,9 op 10 een vliegje in hun oog bij
veinzen. Tranen met tuiten van ontroering weliswaar (wat doen ze
onze koddige knipper toch aan?), maar evenzeer uit dankbaarheid
voor een film die bij elke kijkbeurt beter wordt en dieper onder je
vel kruipt.

We kunnen het niet ontkennen: Edward (Johnny Depp) is één van de
mooiste filmpersonages van de voorbije eeuw. Een duidelijk
doorslagje van Frankenstein (Burton kickt op resurrecties), zijn
bleek gezicht vol littekens, lederen catsuit en scherp
randje (hij heeft scharen in plaats van handen, auwkes) kon hij
slechts uit één geschifte gothic mind ontsproten zijn: die
van Tim Burton. Het begon allemaal met een grillige tekening die
hij in zijn jonge jaren van de misbegrepen creatuur maakte. Hij
verzon er een verhaal rond, Caroline Thompson goot zijn
flipperkastideeën in een passend scenario en Edward kwam tot
leven.

Het verhaal speelt zich af een suburbiawijk vol pastelgeverfde
huisjes, nette oprijlanen en dito wagens en bewoners. Aan de rand
daarvan staat echter vleermuizig kasteel waar een teruggetrokken
wetenschapper (Vincent Price, who else?) zijn eigen
artificiële mens heeft gecreëerd. Edward is helemaal af, behalve
zijn handen, die voorlopig nog vervangen worden door enorme
scharen. Dikke pech voor Edward: zijn “vader” sterft voor hij zijn
echte handen kan krijgen. Op een dag klopt Peggy (Dianne Wiest) bij
het kasteel aan om haar Avon-schoonheidsproducten te verkopen. Zij
en Edward maken voorzichtig kennis. Edward kan wel een make-over
gebruiken en Peggy, gul en gastvrij als ze is, neemt hem mee naar
huis om bij haar te komen wonen. Zijn scharen blijken daar goud
waard: de hele huisje-tuintjegemeenschap loopt warm voor de
talenten van de onhandige freak. Hij is bijzonder creatief met zijn
scharen en knipt de hagen van alle buren in welke vorm dan ook (een
dinosaurus! een teddybeer! een ballerina!). De nieuweling in het
dorp is hot hot hot en al gauw staan alle wanhopige
huisvrouwen aan te schuiven bij Edward voor een excentrieke en
exclusieve coupe Edwààr voor hun haag, hun hond én hun haar.

Tijdens de eerste kennismakingen met het gezin wordt er heel wat
humor door het verhaal gemixt (die verdomde erwt, het waterbed, de
make-uptest die paars uitslaat) en ook de confrontatie met het
conservatieve, conformistische leventje dat de flashy loopse
buurvrouwen leiden (ze lijken weggelopen uit keukenrobotreclames
uit de jaren ’60) is in eerste instantie hilarisch. Toch heeft de
hele film een zwarte, droevige ondertoon, zoals Edwards scharen ook
een gevaarlijk randje hebben. De interesse van de vrouwen voor
Edward is niet oprecht: ze staan gewoon bloedgeil van opwinding,
omdat er eindelijk in hun doodsaaie leventje iets te gebeuren staat
en ze eindelijk hun roddeltong nog eens kunnen uitrollen. Als een
nieuw speelgoedje vieren ze hun lusten op hem bot en als
bloedzuigers zuigen ze zich vol, maar één misverstand is genoeg
(eigenlijk begint het wanneer hij Joyce afwijst) om hem zonder
schroom te laten stikken. Hier broeit duidelijk de kritiek van
Burton op de burgerlijkheid en de hypocriete mentaliteit van de
suburb waarin hij opgroeide, vol ongeschreven wetten van hoe je
‘een degelijk leven moet leiden’.

Burton is een heel persoonlijke filmmaker. In (bijna) al zijn
films slaagt hij erin om rond zijn personages een typisch
Burtoneske leefwereld te spinnen, maar ‘Edward Scissorhands’ wordt
toch vaak als zijn meest persoonlijke film bestempeld, een
afrekening met zijn eigen verleden. Het is dan ook geen kunst om in
Edwards kapsel dat van Burton zelve te ontwarren, in zijn constant
gesnoei een glimp van Tims onstopbare creatiedrang te zien en in
zijn kinderlijke verwondering en onhandige communicatie, de
misbegrepen outsider te bespeuren die Burton ook is (of toch eens
was). Edwards scharen zijn zijn sterkte en zwakte tegelijk: knippen
is zijn talent, het maakt hem uniek, maar het maakt hem ook
onhandig. Hij kan niemand in zijn armen sluiten, zonder die persoon
ook pijn te doen. Wanneer de dochter van Peggy (Winona Ryder) waar
Edward meteen gevoelens voor krijgt, hem dan uiteindelijk vraagt om
hem vast te houden (Hold me), is hij bang om haar met zijn scharen
te kwetsen (I can’t).

Ongelooflijk hoe het verhaal tot in de kleinste details is
uitgewerkt: van de namen van de Avon-lipsticks tot het costume
design (van roze outfit met passende krulspelden tot het
zeemeerminschortje van opperverleidster Joyce), grappige dialogen
(vooral de vader des huizes blinkt uit in droge oneliners over de
dingen des levens) en setdesign (die hagen, waar haalt hij het
toch?). Visueel springt de scène met de ijssculptuur eruit (Winona
danst zich een hemel), net als de drie flashbacks waarin we beetje
bij beetje Edwards kasteelverleden en met name zijn uitvinder te
zien krijgen.

Voor de rol van Edward kwamen enkele acteurs zich aanbieden,
waaronder Robert Downey Jr., Tom Hanks, Tom Cruise en zelfs Michael
Jackson. Johnny Depp was gelukkig de enige juiste keuze en het was
meteen ook het begin van een beautiful friendship met Tim
Burton. Depp geeft met weinig woorden en veel subtiele Charlie
Chaplin- lichaamstaal (alleen al hoe hij met z’n schaartjes
knispert, so cute) een prachtig onhandige, maar oh zo
onschuldige freak neer. Ook de rest van de cast is op dreef: Dianne
Wiest was nog nooit zo geknipt voor een rol als levend geworden
‘goede bedoeling’, Kathy Baker als Joyce laat op hilarische wijze
de goesting door haar lijf sidderen en Winona Ryder vertedert voor
één keer in haar natuurlijke blonde haarkleur.

Het gebruik van Tom Jones liedjes als soundtrack voor het leven
in de suburbs blijft een leuke vondst, maar de film had nooit
dezelfde magische aantrekkingskracht gehad zonder de sublieme score
van Danny Elfman, die als de woorden fungeren die Edward niet zo
goed gezegd krijgt. De indringende compositie maakt de hele
filmervaring tien keer intenser en doet het verhaal van deze
gedoemde eenzaat tot in de vingertoppen sprankelen.

Freddy Kruegers schattige versie of een zwijgzame Robert Smith,
‘Edward Scissorhands’ is een hutsepot van klassieke
sprookjesthema’s, die onder Burton’s creatieve handen genomen, er
fris, subliem en tijdloos uitkomen. Ontroerender dan een
pepperspray op basis van ajuinen en verrukkelijk als een
sneeuwkristalletje dat je van alle kanten kunt bewonderen. Die ene
perfecte Tim Burtonfilm.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negen + vier =