Ed Wood

Eén van de eeuwige vragen in de filmindustrie is: als mensen een
slechte film maken, weten ze dan gaandeweg al dat het een slechte
film zal zijn? Of is er toch een soort van verblinding aan het
werk, die je verhindert om in te zien dat je niet goed bezig bent?
Is het bijvoorbeeld mogelijk dat Peter Webber ‘Hannibal Rising’ maakte
zonder te beseffen dat het daar niet goed aan het aflopen was (ik
geef maar een voorbeeld)? Het antwoord is waarschijnlijk dat er
rond de meeste slechte films een ondoordringbare onverschilligheid
hangt. Denkt u echt dat het de regisseur van ‘Epic Movie’ ook maar
één lor kan schelen dat hij onverteerbare drek aan het maken is?
Natuurlijk niet. En anderzijds zijn er ook wel mensen die zodanig
van hun eigen talent overtuigd zijn, dat ze nergens de fouten zien
in hun eigen film. Dat zijn dan de monumentale flops, gedreven door
de kracht van een verkeerd geleide visie: denk maar aan ‘Heaven’s
Gate’ van Michael Cimino of ‘The Postman’ van Kevin Costner. Edward
D. Wood, Jr, bouwde zijn hele carrière op dat soort van producties:
elke film die hij maakte, moest zijn meesterwerk worden, met één
groot probleem – de man had geen greintje talent. En zowat alle
films uit zijn “glorieperiode”, de jaren vijftig, verraden dan ook
het tomeloos enthousiasme van iemand die gepassioneerd is door het
idee een film te maken, terwijl hij nooit het niveau van de aller-
allerslechtste B-films zou overstijgen. Hij was een non-talent
with a mission. Tegenwoordig wordt hij algemeen beschouwd
als “de slechtste regisseur aller tijden”.

In 1994 maakte Tim Burton, ironisch genoeg, waarschijnlijk zijn
beste film tot op heden over Ed Wood. Johnny Depp speelt het
titelpersonage als een krankzinnig optimistische duivel-doet-al,
die begin jaren vijftig wat aanmoddert in het theater, voordat hij
beslist dat hij zijn groot idool, Orson Welles, achterna wil gaan.
Hij wil een film maken en, net als Welles, op de titelrol staan als
regisseur, producent, schrijver én ster. Met de nodige
chutzpah weet hij zich een weg in het kantoor te lullen
van George Weiss, een producent van exploitation movies,
die alleen maar geïnteresseerd is in het vullen van
cinemaprogramma’s. “Geef me iets dat bij de poster past en dat
zeven spoelen lang is en verder mag je doen wat je wilt”, is zijn
devies. Op die manier maakt Wood ‘Glen Or Glenda’, een bizarre film
rond een travestiet, waar de regisseur veel van zichzelf in kwijt
kan – hij kleedt zich zelf namelijk graag in vrouwenkleren.

Woods carrière werd daarna gedefinieerd door zijn vriendschap
met Bela “Bevaaaare” Lugosi, ooit de ster van de klassieke
‘Dracula’-films uit de jaren dertig, maar tegen de fifties
een heroïneverslaafde has-been die nergens anders nog werk
kon krijgen dan in de Z-films van Wood. Samen maakten ze nog ‘Bride
of the Atom’ en hoewel Lugosi tegen die tijd gestorven was, werden
er beelden van hem gebruikt in Woods twijfelachtige magnum
opus,
‘Plan 9 From Outer Space’.

Mensen vragen zich dikwijls af hoe het mogelijk was dat Wood om
te beginnen al een film van de grond kreeg, als hij er dan toch
niks van kende. Zijn scenario’s waren compleet onsamenhangend en
tijdens het draaien ging hij zelden of nooit naar take 2 – al
liepen de acteurs tegen de kartonnen decors, dan nog liet hij nooit
een scène twee keer spelen. In één scène uit ‘Plan 9 From Outer
Space’ springt de setting bij elk opeenvolgend shot van dag naar
nacht en weer terug. Stock footage werd te pas en te onpas
gebruikt om plotgaten op te vullen (niet dat het veel uithaalde).
Hoe komt het dan dat hij bleef werken? Eén van de grote verdiensten
van Burtons film is dat hij de context van de filmindustrie van
die tijd erg duidelijk weet te scheppen. Je had natuurlijk de grote
films, die professioneel werden aangepakt en hun tijd vroegen. Maar
je had ook een bloeiende industrie aan B-films, die voor minder dan
geen geld werden gedraaid op enkele dagen. Hun enige functie was om
er te zijn, om te bestaan, zodat ze vertoond konden worden. De
titel en de poster kwamen eerst en dan, op luttele weken tijd,
moest er een film volgen die daarbij paste. Tim Burton schetst een
geamuseerd en liefdevol portret van de filmbusiness als een vak vol
sympathieke schurken, die camera’s en rekwisieten stalen om hun
films toch maar gedraaid te krijgen. Samenhang, productiewaarde of
continuïteit was daarbij van minder belang.

Die term “liefdevol” is doorslaggevend voor ‘Ed Wood’. Zoals wel
vaker, vertelt Burton een verhaal over een outsider, die door de
goegemeente als een freak beschouwd wordt, maar een groepje
vrienden, een surrogaatfamilie, om zich heen schaart, waarin hij
zich veilig voelt. Onder die vrienden bevinden zich de seksueel
verwarde Bunny Beckinridge (Bill Murray), tv-presentatrice Vampira
(Lisa Marie), Zweedse worstelster Tor Johnson (George Steele) en
waarzegger en charlatan Criswell (Jeffrey Jones). Allemaal mensen
die, net als Lugosi in die tijd, nergens anders naartoe konden en
zich als losers tezamen rond Wood schaarden. Burton kijkt nergens
neer op die mensen en laat zich nooit verleiden tot uitlach-cinema.
Zelfs wanneer Wood een angora-truitje en een blonde pruik aantrekt
om zich te ontspannen, wordt dat niet uitgespeeld om ermee te
lachen. Nee, het is gewoon een personagetrek – misschien excentriek
of vreemd, maar niks om over te oordelen. De regisseur voelt zelfs
sympathie voor Wood en zijn bende, want de manier waarop ze aan
elkaar hingen, stond hen wel toe om waanzinnig snel te recupereren
van tegenslagen. Keer op keer zien we Wood te horen krijgen dat hij
het niet kan, dat hij een prutser is. Woods gezicht zakt heel
eventjes, maar een seconde later herpakt hij zich en is hij alweer
aan het glimlachen. Het is niet zozeer dat hij geen contact heeft
met de werkelijkheid, als wel dat hij voor zichzelf een
werkelijkheid heeft gecreëerd waar hij zich thuis in voelt, met
zijn bizarre vrienden.

Het resultaat is een verrassend warme film, die stilistisch
alweer al het talent van Tim Burton tentoon stelt. Om in de sfeer
te blijven, werd alles in zwart-wit gedraaid, wat een bijna
surrealistische toon aan de prent geeft. Burton heeft er een handje
van weg om de echte wereld die we allemaal kennen door een
eigenaardige filter te laten passeren (denk maar aan het
gestileerde suburbia in ‘Edward Scissorhands’),
en zwart-wit is hier zijn methode om het Hollywood van de jaren
vijftig te fictionaliseren tot Ed Wood Country. Zowel de
belichting als de kadreringen zijn theatraal, wat herinneringen
oproept aan de horrorfilms van Lugosi uit de jaren dertig.

Johnny Depp werkte voor de tweede keer samen met Burton en maakt
van Wood een ontembare optimist, die vrolijk over z’n eigen
incompetentie heengaat. Depp benadrukt de passie om toch maar te
filmen, eender wat het is. We zien hem ter plekke nieuwe personages
en plotlijnen verzinnen om mogelijke financiers te wille te zijn –
het kan hem niet schelen wàt hij filmt, àls hij maar kan draaien.
Die onuitputbare energie is al een beetje een voorafschaduwing van
wat hij enkele jaren later zou doen in ‘Fear and Loathing in Las
Vegas’
. Martin Landau is echter dé showstopper als Bela Lugosi,
een gefrustreerde, eenzame has-been die niks meer in zich
heeft aan het einde van zijn leven. Landau won een oscar (waar
Samuel L. Jackson destijds trouwens niet content mee was), en
terecht – de subtiliteit van zijn acteerwerk is fenomenaal. Hij
speelt iemand die theatrale gebaren maakt, omdat dat zijn enige
redmiddel is, het laatste waarachter hij zich kan verschuilen.
Achter dat toneelspel is er absoluut niets meer over van de man die
ooit Dracula was.

‘Ed Wood’ is een bescheiden meesterwerk, dat inhoudelijk rijk
is, maar ook heel veel emotie in zich heeft. Twee uur puur genot
voor iedereen die van films houdt – goeie én slechte.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 × 2 =