Murder :: Stockholm Syndrome



“Murder is unique,” omschrijft de band zichzelf op hun
MySpace. De eerste niet-coverband die van zichzelf beweert niet
uniek te zijn, moeten we nog tegenkomen en mag er eigenlijk
onmiddellijk mee ophouden. Dit is een raad die we deze Scandinaven
niet geven, want hun ‘Stockholm Syndrome’ heeft zich zacht maar
gestaag genesteld in het binnenste van onze trommelvliezen.
Oorsuizingen zijn gelukkig achterwege gebleven.

Murder staat niet voor scheurende gitaren, verschroeiende
drumritmes en een hels gebrul maar voor rustige, warme new folk en
indie in de traditie van Smog, Tindersticks en
Lambchop. De
naam van hun nieuwste mag dan naar een ander land verwijzen, het
duo dat zich Murder noemt, is weldgelijk Deens. De band ontsproot
in 2000 en was snel met vier. Na enig getouwtrek kwam hun late
debuut, ‘One Year From Now It’s My Birthday’, pas uit in 2005.
Murder besloot even te pauzeren, wat zanger Jacob Bellens ruimte
gaf te experimenteren met zijn zijproject I Got You On Tape. In
2006 nam Murder de teugels in handen, al bleek naast de zanger
enkel gitarist en backing vocal Anders Mathiasen van de partij.
Niet getreurd, want met twee deden ze het ook prima, getuige
‘Stockholm Syndrome’, dat in Denemarken al in 2006 in de rekken
lag.

Zowel live als bij de opnames van Murders tweede album duiken
regelmatig gastmuzikanten op om het allemaal muzikaal net iets
interessanter te maken. Zo speelt Morten Svenstrup – wat een zalige
naam toch – van Under Byen cello op
drie songs. Opvallend is de afwezigheid van drums en het geringe
belang van percussie in het algemeen, iets wat het genre beslist
toelaat.

Toeval of niet, het zijn de nummers waarop Svenstrup zijn
strijkstok bovenhaalt, die ons het meest bevallen. Zo is er de zeer
geslaagde opener ‘Feast In My Honour’, een van de vele songs die de
warmte van The
National
overbrengen, deels door de lage en karaktervolle stem
van Bellens maar ook door het verteltempo waarop de meeste nummers
wandelen en de steeds dicht aanwezige maar nergens dominante
orchestratie. Het samenspel tussen een stille maar bedrijvige piano
en de zachte cello op ‘Feast In My Honour’ werkt perfect. Geen
piano in ‘Boddies Collide’, maar wel geplukte, akoestische gitaren
en de combinatie van cello, glockenspiel en backing vocals van
Frederik Thaae in de meer drukke refreinen. Nog iets beter klinkt
‘Daughters of Heavy’ met zijn wonderbaarlijk warm vloeiende refrein
en een dromerige trombone om het af te maken.

Tekstueel houdt Murder het allemaal behoorlijk hermetisch en
poëtisch. “Dare to shake the hand that holds you down” in
‘Daughters of Heavy’ of “and the words / will make / your eye /
bleed”
in ‘Pixies’ zorgen nu niet direct voor de meest
toegankelijke lyrics. ‘Pixies’ draagt dezelfde melancholie met zich
mee die 90 procent van ‘Stockholm Syndrome’ kenmerkt, maar valt op
door de hoge zang van Jacob Bellens, die zo van de overige songs
verschilt dat het lijkt of er een gastzanger optreedt. Met “our
house / was built / by pixies”
is er van een verwijzing naar
een of andere band niet echt sprake, tenzij hier een fantastisch
verhaal achter schuilt.

‘Applejuice’ is de enige lichtvoetige song in het lijstje van elf.
De begeleiding had van The Shins kunnen zijn
en heeft ook heel wat weg van de vrolijke schwung van onze eigen
The Tellers.
‘No Future’ slaat de bal tijdens de eerste anderhalve minuut wat
mis maar herstelt zich wonderwel en heeft een zeer aantrekkelijke
tweede helft. Het trage ‘Queen of Calm’ heeft dan weer iets weg van
de mijmeringen van Johnny Cash.

‘Stockholm Syndrome’ kreeg in thuisland Denemarken een aantal
belangrijke prijzen en we kunnen best begrijpen waarom. Het is een
verzameling van warmte die onze druilerige winter er enkel beter op
kan maken. Een doorbraak in onze contreien? Aan u de keuze!

http://www.myspace.com/murderdk

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × 3 =