Weedeater :: God Luck And Good Speed

Niks mis met pielende folk, tuttefruttenpop en digitale goochelarij, maar van de weeromstuit wendt een mens zich ook wel eens tot boers ploeterend kabaal dat de wilde woestenij van de vandaal verkiest boven het zorgvuldig wikken en wegen van de keurige ambachtsman. Weedeaters God Luck And Good Speed deelt een rechtse directe uit die aankomt als een bowlingbal in een kist overrijpe tomaten.

Dixie, Shep en Keko zijn eersteklas krapuul en damn proud of it. Ze zuipen, kotsen, vechten en paffen wiet met een vastberadenheid die enkel nog wordt overtroffen door hun voorliefde voor hun Southern roots (de eersteling heette …And Justice For Y’All) die net niet wordt geuit door het rondhollen met de Conferate flag in een Davy Crockett-kostuumpje. Ze hebben iets van de onbeschaamde retro van Raging Slab, maar ergens op hun tocht ruilden ze de vuige rock-‘n-roll in voor een luidere, zwaardere variant die, geholpen door laaggestemde gitaren en een ultratraag tempo, aansluiting zoekt bij de moerassige doom van Sleep, Yob, Rwake en het al even onnozel genaamde Bongzilla. Wie ook maar om enige subtiliteit vraagt, wordt getrakteerd op een muilpeer, waarop een schouderklop, hinniklach en een amicaal uitgestoken joint volgen. Het is een werkmansethiek als een ander, en ze wérkt.

Tweeëntwintig seconden feedback worden gevolgd door wat misschien wel de meest overrompelende geluidssmurrie van het najaar is. Dit is tussen stonerrock en sludge zwalpend onheil van de smerigste soort. Bot bonkende drums en crashende simbalen lijken steeds de handrem op te trekken terwijl borrelbas en gitaar unisono een geluidsdrab ontkenen die de adem ontneemt als een ingeslikte, in oud frituurvet gedrenkte wasberenstaart. Om de impact van deze pletwals nog extra in de etterende pus te zetten, produceert bassist/zanger Dixie een doodsreutel die het midden houdt tussen de boemansbrul van Tom Waits en het gutterale gerasp van AC/DC’s Brian Johnson. Het is hondslelijk, reduceert de oorlogskreten van Matt Pike (High On Fire) tot knaapjesopwerpingen en zorgt tegelijkertijd voor een perfecte soundtrack bij een gedegenereerde Zuiderse mythologie. The Dukes Of Hazzard, maar dan bevolkt met lelijkaards met een ietwat ongelukkig samengestelde stamboom.

Er valt bijster weinig variatie te ontwaren in een plaat die het vooral moet hebben van verpletterende grooves: nu en dan gaat de band in versnelling, zoals met de aan Sabbath verwante oplawaai “Wizard Fight” of met de prima getitelde “20 Dollar Peanut”, maar doorgaans blijft het bij pompende modderstromen van geluid, waarvan “For Evan’s Sake” en “Weedmonkey”, samen goed voor een kwartiertje onderbuikmassage, het meest bijblijven. De grote triomf blijft uiteindelijk achterwege door de wat oudbakken riffs van “Dirt Merchant” en de obligate, tegenvallende cover van Lynyrd Skynyrds rebellenverhaal “Gimme Back My Bullets” (“Sweet talkin people done ran me out of town / And I drank enough whiskey to float a battleship around”). Aangename verrassing is dan weer “Alone”, een uitgemergeld, akoestisch verhaaltje voor het slapengaan en tevens de enige song die niet ingeblikt werd door Steve “Wie Anders?” Albini.

Een grote plaat is God Luck And Good Speed niet, daarvoor ontbreekt het de band aan consistentie, inventiviteit en frisheid. Anderzijds is de alcohol-, zweet- en strontwalm die van deze plaat opstijgt net ook zijn grootste troef. In de afdeling van de belegen motherfuckers is dit dan ook een regelrechte aanwinst en verplichte kost als u het geluk hebt te beschikken over een fors stel kloten, een slechte dronk en nog slechtere bedoelingen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

13 − 11 =