My Blueberry Nights




Nooit gedacht dat er zoiets zou bestaan als een tweedehands Wong
Kar-Wai. Eentje uit de kringloopwinkel, die wat muf begint te
ruiken en waar de motten al met hun perforator een feestje in
hebben gebouwd. Het pijnlijkste is nog dat hij hem zelf gemaakt
heeft. ‘My Blueberry Nights’ is géén mislukte na-aperij van een
onbekende regisseur die Wongs identiteit – zijn indringende
slowmotions, sfeervolle onderdompeling in een zinderend
kleurenbad en haast aaibare nostalgie – even kwam lenen bij gebrek
aan eigen inspiratie. Daar hadden we nog grapjes over kunnen maken,
maar het is helaas de getalenteerde mooifilmer zelf die als
regisseur over de aftiteling komt buitelen. Met deze stilstaande
roadmovie raakt Winky Wong niet eens met zijn vingertoppen tot aan
de winkelwaarde die we van hem gewoon zijn (kostbaarheden als
‘Happy Together’, ‘In the Mood for Love’
en ‘Chungking Express’ schitteren dan ook hoog aan de filmhemel).
Heeft zijn formule de houdbaarheidsdatum overschreden? Of houden
zijn films in het Engels gewoon geen steek? Werkt de eeuwige
tristesse en loneliness alleen als ze door een
stilzwijgende, collectief in de schoot starende Chinese sterrencast
wordt vertolkt? Of ligt de schuld echt volledig bij protagoniste
Norah Jones (in haar eerste filmrol)? Een bloem van een meid, maar
ze staat de hele film gewoon wat te verwelken. Eén ding is zeker:
WKW’s uitstapje naar Engelstalige oorden is, alles tezamen genomen,
een véél te kale reis geworden.

Jeremy (Jude Law) baat een klein, gezellig restaurantje uit in
New York. Enkele nachten op rij komt Elizabeth (Norah Jones) bij
Jeremy aan de toog zitten wachten op haar geliefde, maar hij komt
niet opdagen… en de pijnlijke waarheid boort zich als een pijl
door haar borst: ze is gedumpt. Om haar verdriet te verwerken,
besluit ze om rond te trekken door Amerika en hier en daar in een
bar te werken. Op haar weg ontmoet ze enkele boeiende personen; een
politieagent (David Strathairn) die drinkt om te vergeten, zijn
ex-vrouw (Rachel Weisz) die hem graag publiekelijk vernedert maar
ondertussen een even dor pad bewandelt, en een zelfingenomen
gokverslaafde (Natalie Portman) met een weggemoffeld schuldgevoel.
Gebroken zielen die zich allemaal op de één of andere manier in de
nesten hebben gewerkt en Elizabeth haar eigen problemen enigszins
doen relativeren. De herinnering aan de avonden wanneer ze met
Jeremy blueberry pie – de taart die altijd eenzaam en
onaangeroerd achterblijft aan het einde van de dag – zat te eten,
houden haar warm en ze schrijft hem kaartjes en brieven. Jeremy
wordt ondertussen gek van verlangen omdat hij haar nergens kan
bereiken. Hij kan alleen maar hopen dat ze er op een avond weer zal
staan, voor een intieme babbel en een stukje taart.

Op papier klinkt dat allemaal prikkelend romantisch en tijdens
het eerste deel, in het restaurant, zat ik dan ook nog hoopvol in
m’n rode zeteltje te wiebelen. Jude Law die zich over zijn schone
slaapster buigt (tevens de bloedmooie affiche van de film) en een
omgekeerde kus van haar steelt, terwijl de neonkleuren als
tongetjes langs hun hoofden likken… het heeft allemaal nog iets
poëtisch en sensueels. Denk hier de zachte themasong van de film
(‘The Story’ van mevrouw Jones) nog eens bij, en je krijgt het
zelfs een beetje warm. Van zodra Elizabeth echter de deur achter
zich dichttrekt en NY verlaat, begint het plots te tochten in de
zaal. Elizabeths zogenaamde zoektocht naar zichzelf is veel te
passief en langdradig en verzinkt uiteindelijk in een slot dat zo
weinig geïnspireerd is, dat de hele afgelegde weg ernaartoe
(narratief gezien) nutteloos lijkt. Had ze niet gewoon in NY kunnen
blijven – zoveel heeft ze uiteindelijk ook niet ingezien.

Van Wong Kar-Wai weten we dat hij geen gemakkelijke films maakt.
Een plot is vaak ver te zoeken; hij probeert meestal een bepaald
gevoel neer te zetten en teert daarbij op het mysterie dat als
opkringelende rook rond een acteur of actrice hangt. Maar Norah
Jones is een zangeres en geen actrice en ze is ook helemaal niet
mysterieus. Jazzy Jones bezit een uitzonderlijke schoonheid, maar
mist uitstraling, persoonlijkheid en diepgang. Achter haar grote
Bambi-ogen lijkt niet bijster veel verscholen te gaan. Jude Law
gaat daardoor lichtjes in overdrive – hij lijkt voor twee te
pompen. Het scenario biedt ook maar weinig kansen om uit te
blinken. Als kapstok waar de hele film aan is opgehangen, is het
personage van Elizabeth gewoon veel te wankel. Op de twee
stopplaatsen die ze aandoet, verdwijnt ze in de nabijheid van elk
personage dat naast haar in het café komt staan stante pede in de
vierde dimensie. Lichtjes apathisch staat ze drankjes uit te
schenken voor mensen die wél een echt verhaal hebben (Rachel Weisz
breekt bijvoorbeeld ter plekke in twee van hysterie). Maar ook die
nevenplots zijn niet genoeg uitgewerkt en lijken niets met haar
verhaal te maken te hebben. Ze heeft er zelfs geen enkele band
mee.

Er is op narratief vlak niets dat de film in de juiste richting
stuurt of een aantrekkelijke push geeft. Hij dobbert maar
wat doelloos voort, terwijl Norah achter de toog glazen staat af te
drogen in slow motion. Je voelt dat dit geen Wong Kar-Wai is die
splinternieuw de zalen binnenzweeft. Er is aan geprutst, aan
geknipt en geplakt, en zo is er klaarblijkelijk het één en ander
verloren gegaan. Uit de oorspronkelijke versie, zoals die in Cannes
werd voorgesteld, werd een halfuur geknipt, wat het gebrek aan
samenhang verklaart. Je merkt dat er een aantal dingen zijn
weggevallen (de verhalen van de nevenpersonages zweven wat in het
ijle). Of de eerste, langere versie beter was, zullen we wellicht
nooit weten, maar hij zal er niet voor niets de schaar in gezet
hebben.

Op visueel vlak krijgen we wat we van Wong gewoon zijn. Geen
Christopher Doyle deze keer, maar Darius Khondji (van o.a. ‘Delicatessen’) schiet
ook mooie plaatjes, die best wel indruk maken. Wong Kar Wai
vermoordt alleen zichzelf met een overkill aan alles wat zijn
vorige films zo sterk en sfeervol maakte: de wazige neonbelichting,
vertraagde beelden en nachtopnames met van die met je mouw
uitgeveegde lichtvlekken. Normaal gezien gebruikt WKW zijn
slow-motions op momenten dat hij een detail wil onderlijnen, de
magie van een beweging even langer wil vasthouden of een gevoel wil
vastleggen, maar met ‘Blueberry’ is hij bij de montage zodanig de
repetitieve toer op gegaan, dat hij ze ook gebruikt waar ze totaal
niets bijdragen aan het verhaal. Voor het eerst zijn Kar-Wais
voice-overs ook te expliciet aanwezig. Waar hij bij zijn vorige
films subtiel te werk ging en de beelden voor zich liet spreken,
smeert hij hier de choco veel te dik op de boterham (de close-ups
van de smeltende ijscrème bijvoorbeeld), alsof hij extra duidelijk
wou articuleren voor zijn nieuwe, westerse publiek en daarmee zijn
persoonlijke stempel wat minder hard heeft doorgedrukt.

Als het zijn bedoeling was om de aandacht van een westers
publiek te trekken met een bekende sterrencast, dan is dat best –
alleen spijtig dat het met één van zijn mindere films moest (zoniet
z’n minste). De Engelse cast doet unaniem (te hard) zijn best, maar
de film mist de spontane sensualiteit van een ‘In the Mood for Love’
(de dames zien er in hun felle jurkjes goedkoop uit), het
mysterieuze van ‘2046’ (Norah Jones
speelt een doorzichtige verpakking) en een verlangen dat zodanig
onder hun gat brandt dat het pijn doet à la ‘Happy together’ (let
op de brave kaartjes die ze hem stuurt, gaap). We zijn nog net niet
met tomaten beginnen gooien (daarvoor is het respect voor de
meester té groot), maar toch…Tony Leung, we miss you!
Bon, tijd nu voor een stukje taart om mijn blueberry blues
weg te vreten…

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig − zes =