Pi

Dat Darren Aronofsky geen schrik heeft om risico’s te nemen mag
duidelijk zijn: ‘Requiem for a Dream’,
zijn meest succesvolle film tot nu toe, eindigde op een tien
minuten durende gruwelsequens waarin Jared Leto’s arm werd
afgezaagd terwijl Jennifer Connelly een ass-to-ass deed op
een New Yorkse orgie. En in zijn laatste, ‘The Fountain’ (misschien
wel één van de meest polariserende films van de voorbije vijf
jaar), dook Rachel Weisz op als uhm… als een boom. Nee, écht.
Aronofsky’s carrière begon alvast op een gepaste noot met ‘Pi’, een
bizarre psychologische thriller over codes, de aandelenmarkt, de
Kabbala en barstende koppijn.

Sean Gullette speelt Max Cohen, een wiskundige die zich heeft
teruggetrokken in zijn flat om daar te werken aan een het
ontcijferen van een mysterieuze code. “Wiskunde is de taal van de
natuur,” vertelt hij ons op de voice-over. “Alles om ons heen kan
vertegenwoordigd worden door cijfers. En als je die cijfers in
kaart brengt, komen er patronen bovendrijven.” De cyclus van eb en
vloed, het draaien van de aarde, het toenemen of afnemen van de
bevolking. Misschien zelfs de beurs. Max is geobsedeerd door het
vinden van een patroon in de schijnbare chaos aan cijfers waarmee
hij de wereld voorstelt. Niet alleen om correcte
beursvoorspellingen te maken, maar vooral om tot een zeker begrip
te komen. Waarom is de wereld zoals hij is? In zijn kamer,
volgestouwd met computers en elektrische kabels, werkt hij aan één
stuk door, zonder contact te hebben met iemand, behalve zijn
buurman Sol (karakterkop Mark Margolis). Naarmate zijn onderzoek
vordert, wordt Max echter benaderd door schaduwachtige figuren:
tuig van Wall Street wil de informatie in zijn kop misbruiken om de
markt naar hun hand te zetten, en de Kabbalistische jood Lenny (Ben
Shenkman) wil Max inzetten om een mystieke code in de Thora te
ontcijferen. De mentale druk op Max neemt toe – hij lijdt aan
verschrikkelijke migraineaanvallen en begint zelfs te
hallucineren.

Aronofsky maakte ‘Pi’ onder extreem beperkte omstandigheden: de
hele film werd gedraaid voor ocharme 60.000 dollar, er werd zonder
toestemming gefilmd op de straten van New York en op sets die
letterlijk aan elkaar gelijmd waren. Armoediger kan haast niet,
maar de regisseur wist zijn beperkingen toch in zijn voordeel te
manipuleren, zowel op het niveau van scenario en inhoud, als op
stilistisch niveau.

Inhoudelijk kiest Aronofsky resoluut voor een subjectieve
structuur: Max zit in elke scène en we zien alles door zijn ogen.
Dat zal vast wel een artistieke keuze zijn geweest, maar het
beperken van het aantal personages in je film is ook een feilloze
manier om geld uit te sparen. Hoe het ook zij, die structuur zorgt
wel voor het bezeten, manische sfeertje van ‘Pi’. De personages
krijgen nauwelijks enige achtergrond mee – we worden middenin hun
geest gesmeten, middenin hun obsessies, en van daaruit evolueert
hun verhaal verder. Het gevolg is ook dat naarmate de mentale
break-down van Max verder gaat, het steeds moeilijker
wordt om realiteit nog van hallucinatie te onderscheiden. Max wordt
regelmatig helemaal platgelegd door zijn hoofdpijn en wordt
achteraf wakker met een bloedneus. Tijdens één van zijn aanvallen
ontdekt hij een vieze, gezwollen ader die als een klein gezwel op
zijn schedel ligt. Maar is die er wel écht? Hij denkt dat hij
achtervolgd wordt, maar is dat wel echt zo? En wat misschien nog
het belangrijkst is: hij denkt dat hij een patroon kan vinden in de
cijfers die de wereld doen draaien, maar hoe zit het nu precies? Is
hij geniaal of waanzinnig? Door zijn hele film te structureren
vanuit het standpunt van Max, komen we het nooit te weten. De film
is een afdaling in zijn geest, in de intellectuele en mentale hel
die hij zichzelf heeft aangedaan.

Het thema van de film is uiteindelijk het zoeken naar betekenis,
naar regelmaat in het leven. Voor Max is er als wiskundige geen
andere mogelijkheid: het is wit of zwart. Of er is orde in het
universum, en dan kunnen we ervan uitgaan dat het leven niet zomaar
een zinloze chaos aan losstaande feiten is. Of er is er geen, en in
dat geval kun je net zo goed ophouden met leven, want dan heeft er
toch niks betekenis. Wanneer hij de Wall Street-aasgieren toesnauwt
dat ze hem met rust willen laten omdat hij niet geïnteresseerd is
in hun kapitalistische onzin, dan meent hij dat. Hem is het om meer
te doen – hij wil wiskunde gebruiken om een antwoord te geven op
een heel fundamentele vraag: wat komen we hier als mens in godsnaam
doen? Buurman Sol probeert hem te overtuigen het op te geven – je
kunt je hele leven verkwisten, op zoek naar een patroon dat je
nooit zult vinden, net zoals Sol dat zelf heeft gedaan toen hij
zocht naar een patroon in het getal pi.

Maar dat thema wordt steeds complexer en surrealistischer
aangepakt: Max verliest langzaam maar zeker zijn verstand,
naargelang hij wordt opgevreten door zijn obsessie. Het laatste
half uur van de film speelt zich af als in een koortsdroom, waarbij
het niet eens zo belangrijk is wat er echt is en wat niet. Wat echt
onrustwekkend is, is het feit dat hij zijn grip op de realiteit
heeft verloren.

Stilistisch vertaalt het gebrek aan middelen zich naar een
contrastrijke zwart-witfotografie, met jachtige camerabewegingen en
jump cuts, die de geestestoestand van Max suggereren. Je kunt
hierin een duidelijke voorloper zien van de stijlgrepen die
Aronofsky in ‘Requiem
for a Dream’
nog verder zou uitdiepen: telkens Max medicijnen
inneemt tegen zijn hoofdpijn, krijgen we een opeenvolging van
snelle cuts die – verder uitgebreid – zouden terugkomen in zijn
volgende film, wanneer er drugs werd genomen. Ook de body
camera
komt hier voor het eerst voor: de camera wordt via een
speciaal soort harnas vastgemaakt aan het lichaam van de acteur,
wat een eigenaardig, ook weer erg subjectief geïnspireerd effect
geeft. Aronofsky probeert hier duidelijk zijn dollar zover
mogelijk te rekken en toont gaandeweg aan dat je met creatieve
montage en slimme kadreringen heel wat moeilijkheden kunt
omzeilen.

Sean Gullette moet ondertussen zowat de hele film op z’n eentje
dragen, en doet dat schitterend. De intensiteit spat van het
scherm, en hoewel we niet veel informatie over Max krijgen, weet
hij alleen al met zijn aanwezigheid erg veel te suggereren.

Een voor de hand liggende film is ‘Pi’ zeker niet – wiskunde,
complexe ideeën en bizarre hallucinaties wisselen elkaar af om een
portret te vormen van een man die zo graag alles wilt begrijpen dat
hij er zijn eigen verstand bij verliest.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

dertien − 10 =