The Number 23




Logan Lerman, Danny
Huston, Lynn Collins, e.a.
95 min.
/
USA / 2007

Iedereen heeft een lievelingsgetal. Bij zowat de
halve wereldbol is dat lucky number seven. Wiskundenerds
geilen op Pi, gothic diva’s zweren dan weer bij zes, voetballers
willen allemaal nummer tien op hun rug, nymfomanen kiezen voor een
nummertje 69 en Idooldeelnemers gaan pas slapen als ze op nummer
één in de Ultratop staan. Maar drieëntwintig? Als je mij had gezegd
dat na tweeëntwintig vierentwintig kwam, dan had ik zelfs even
getwijfeld, want dat nummer heeft nu eens zero charisma.
Drieëntwintig wordt zelden uitgekozen bij ‘kies een nummertje van 1
tot 100’ en was tot voor kort gewoon volstrekt betekenis- en
connotatieloos. Voel je het ook al aankomen? De hoogste tijd om dit
vreselijke onrecht teniet te doen via een eerherstellende film met
als titel ‘The Number 23’. Maar nu plakt dat arme nummer voor
eeuwig vast aan een film die zo wanhopig een thriller wil zijn dat
het een beetje zielig wordt. Soms is het beter om gewoon je lot te
aanvaarden.

Sinds Jim Carrey zijn hyperkinetische kaken af en toe al eens op
elkaar weet te houden en in zijn dolle fratsen-agenda ook al eens
een gaatje vindt voor het serieuzere werk, heeft hij eindelijk
bewezen ook écht een acteur te zijn. In ‘Eternal Sunshine of the
Spotless Mind’
verraste hij ons met zijn beste acteerprestatie
tot nu toe én gaf hij ons er en passant een
lievelingsfilmpje bij. In ‘The Number 23’ laat Carrey eveneens zijn
komische mask achterwege en vertolkt hij een brave,
enigszins saaie papa (hij doet zelfs maar één keer een poes na, en
dan is het nog tegen een hond). Aan hem ligt het dus niet, hij
vertolkt zijn rol netjes en ‘met een hoek af’-serieus, zoals dat
hoort in een psychologische thriller….en toch heb ik luidop
moeten lachen.

Voor een eerste scenario van Fernley Phillips begint de film
nochtans niet zo slecht. Walter (Carrey) krijgt op zijn verjaardag
van zijn vrouwlief Agatha (Virginia Madsen) een boek cadeau: ‘The
Number 23’ van Topsy Kretts. Hij raakt meteen verslingerd aan het
boek en fantaseert zichzelf in de hoofdrol van de detective
Fingerling, die zichzelf zo hard verliest in het nummer 23 – hij
ziet het overal – dat het hem tot moord drijft. Walter is
aanvankelijk vooral getroffen door de gelijkenissen tussen
Fingerling en hemzelf. Het personage voelt hem vertrouwd aan, alsof
de schrijver zijn leven van hem heeft gestolen. Agatha is niet
onder de indruk en wuift zijn aanwijzingen weg, tot ze hem op een
ochtend op de sofa aantreft met de woorden “Kill her” op zijn arm
geschreven en ze toch raad vraagt aan een vriend. Net als het
hoofdpersonage in de roman, is Walter ook in de ban van het nummer
23 geraakt. Hij herleidt zijn hele leven tot 23 en maakt
ingewikkelde berekeningen met zijn naam, zijn geboortedatum, de
dagen waarop iets belangrijks gebeurde, enzovoort. Overal waar hij
komt, ziet hij maar één ding: die twee dansende cijfertjes als
dollartekens in zijn ogen. Hij wil koste wat kost de schrijver van
het boek vinden om van zijn enge ziekte af te geraken.

De twee parallelle leefwerelden, die van Walter en die van zijn
roman-alter ego Fingerling, worden op een aangename wijze met
elkaar vervlochten. Jim Carrey ziet er zowaar een beetje sexy uit
met zijn holle blik, film noir-look en de getatoeëerde
biceps die uit zijn marcelleke springen (heb ik dit echt net
gezegd?). Regisseur Joel Schumacher zet de kinky wereld van de
stoutere versie van Walter hyperstijlvol in de verf en haalt
hiervoor alles uit de kast: cameratrucjes, kleurenfilters, over- en
onderbelichting, kitscherige locaties… alles voor de kunst. En
daar ligt al meteen probleem numero uno: Schumacher doet veel te
hard zijn best om de film van de noodzakelijk dosis spanning te
voorzien en wil ons doen geloven dat 23 écht een creepy
nummer is. Meestal ben ik zeer gemakkelijk schrik aan te jagen (als
er nog maar een geweer op iemands voorhoofd wordt gericht, voel ik
me al ongemakkelijk), maar na de film durfde ik gerust het getal
nog honderd keer achter elkaar uit spreken, zonder dat ik vreesde
voor represailles. Ik heb zelfs niet de moeite genomen om mijn
eigen geboortedatum uit te rekenen. De film valt voor een thriller
redelijk flauw uit – de spanning is eerder ontspanning en na de
drieëntwintigste minuut begint die ontspanning zelfs op de
lachspieren te werken.

Heb je dan al een zwak concept – een getal dat aanzet tot moord
bijvoorbeeld -, dan is het de kunst om je publiek zo in te pakken
dat ze toch je hele gezever geloven, hoe absurd het ook is (en in
dat geval kan dat best nog een zeer straffe film opleveren). Maar
dat doe je niet door te verkondingen dat ‘twee gedeeld door drie
gelijk is aan 0,666’. Het mag dan het getal van meneer of mevrouw
de Duivel zijn, een rode pijlstaart krijg je er niet van. Ook de
andere aangehaalde voorbeelden zijn te absurd voor woorden: er
wordt gegoocheld met data van historische gebeurtenissen, die
allemaal na een optelsommetje 23 geven en zelfs de kleur roze wordt
verdacht gemaakt (want rood + wit = 23 of zoiets). Kan je geloven
dat dit echt in dialogen in een film wordt gezegd? Waarom niet:
vierentwintig min één, dat is toch ook drieëntwintig? Met alle
respect voor mensen die écht met paranoïde problemen te kampen
hebben, want natuurlijk zit er allemaal geen logica achter – de
essentie van paranoïa is dat je je de dingen inbeeldt en ziet waar
je ze zelf wilt zien – , maar dat neemt niet weg dat het hier
allesbehalve overtuigend wordt geschetst. Hét moment in ‘A Beautiful Mind’,
waarop je John Nash in zijn tuinhuisje volledig ziet opgaan in
wiskundige kronkels die op niets slaan, is overweldigend en
schokkend (en dat was niet eens een thriller). In ’23’ wordt dit
losjes overgedaan, maar de volgekrabbelde muren van Walter stralen
maar half zoveel kracht uit.

En de overdaad aan clichématige ‘thrillerelementen’ doen nog
meer afbreuk aan de geloofwaardigheid. Om er maar enkele te noemen:
Walter heeft dromen waarin hij zijn eigen vrouw vermoordt, waarbij
het de taak van de kijker is om toch een volle seconde te geloven
dat dit écht is. Als Walters zoon het boek leest, doet hij dat in
zijn bed in het donker met een zaklamp (was de elektriciteit
stuk?). Zijn vrouw gaat dan weer in het midden van de nacht op haar
eentje tralala een verlaten gebouw binnen en ze vindt er toevallig
genoeg kaarsen én tijd om een heel vertrek te verlichten. De
personages hebben bovendien op de meest vreemde momenten een mes in
hun handtas, een geweer in hun jas en als er eens van locatie
veranderd wordt, dan gaat men gevoelsmatig voor een louche
hotelletje waarvan de eigenaar weggelopen lijkt uit ‘The Hills Have
Eyes’
.

Bij de zoektocht naar de schrijver van het boek maakt het
verhaal absurde associaties en bokkensprongen (een hond zit op het
graf van een vermoord meisje, de dader moét wel de schrijver van
het boek zijn) en wanneer er dan eindelijk na veel vijven en zessen
tot een ontknoping wordt gekomen, blijkt deze niet alleen
voorspelbaar, maar de clou wordt dan nog eens minutenlang uitgelegd
in een sequens ‘filmontknopingen for dummies’. Het
allergrootste mysterie blijft echter hoe ze er in godsnaam op
gekomen zijn én in geslaagd zijn om aan deze hele uitzichtloze
reeks optelsommetjes van miserie nog eens een soort van happy-end
te breien. Schumacher krijgt maar één excuus voor deze flauwe
vertoning: het was het nummer, ik het was niet.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

11 + 18 =