Ghost Rider




114 min.

Nadat in de voorbije jaren zowat alle grote
comic books een verfilming hebben gekregen – sommigen met
veel succes (‘Spider-Man’, ‘X-Men’), sommigen met
heel wat minder (‘Hulk‘, ‘Daredevil’) – zijn we
schijnbaar op het punt aanbeland waarop filmproducenten bereid zijn
om de bottom of the barrel te gaan leegschrapen. ‘Ghost
Rider’geniet een zekere populariteit onder hardcore fans,
maar is nooit zo groot geworden als de meeste andere verfilmde
superhelden, en is zeker bij ons zo goed als geheel onbekend. Maar
hey, zolang het maar een comic book is, valt er vast nog
wel wat geld uit te persen, dus roll cameras.

Johnny Blaze (Nicolas Cage) is een stuntmotorrijder die op zijn
zeventiende ontdekt dat zijn vader terminale kanker heeft. Hij
verkoopt zijn ziel aan de duivel (Peter Fonda, of all
people),
die de kanker wegneemt, maar Blaze senior vervolgens
stante pede doet verongelukken (je bent de duivel of je bent het
niet). Jaren later staat Johnny nog steeds in het krijt bij
Mefistofeles, wat allicht de continu getergde blik op zijn gezicht
verklaart. Hij is ondertussen uitgegroeid tot één van de
populairste stuntrijders in Amerika, die over een recordaantal
vrachtwagens en helikopters springt met z’n motor, vermoedelijk in
een poging te bewijzen dat hij geen klein pietje heeft. Op een dag
komt Mefisto hem echter een nieuwe deal voorstellen: de weinig
sympathieke demon Blackheart (Wes Bentley) is een kleine coup
d’état
aan het organiseren tegen de duivel. Als Johnny
Blackheart kan tegenhouden, krijgt hij van Mefistofeles zijn ziel
terug.

Klinkt een beetje silly allemaal? Wacht tot je de film
gezien hebt. Johnny heeft namelijk de bizarre gewoonte om, wanneer
hij in de buurt van Het Kwade is, plotseling te veranderen in een
soort van brandend skelet op een al even vlammende
chopper. Krèk Jack Skellington uit ‘The Nightmare Before
Christmas’, maar dan met wat vuur erbij. Johnny raast door de
nachtelijke straten, waarbij hij een spoor van vernieling achter
zich laat, rijdt doodleuk een hoog flatgebouw op en wapent zich
tegen elke vijand met een simpele ijzeren ketting (eenvoud is in
dat soort zaken vaak nog het beste). Ondertussen zegt hij dingen
als: “Your soul is stained with the blood of the
innocents!”
en “I will make use of this curse… against
you!”
Ja hoor, het wordt allemaal behoorlijk
cheesy.

Wat natuurlijk ook de bedoeling was – één van de grootste fouten
die je hier kunt maken, is deze onzin serieus te nemen. Dat doen de
makers namelijk ook niet. Onder het motto “let’s have fun”
wordt er rechtstreeks ingespeeld op het bombast en de pathetiek van
het verhaal. Alles hier wordt geserveerd met een vette knipoog – we
krijgen situaties die regelmatig volledig wegzakken in het absurde
en dialogen die zo nadrukkelijk geforceerd en campy zijn
dat het nauwelijks anders kan of het was de bedoeling dat we ermee
zouden lachen. Neem nu de bijrol van Sam Elliot als de bewaker van
een vervallen kerkhof – zijn ogen en neus gaan bijna verloren
tussen de bebossing van zijn wenkbrauwen en snor terwijl hij Johnny
Blaze met een ironische blik aankijkt en zegt: “Een man die
zijn ziel verkoopt voor de liefde, heeft de macht om de wereld te
veranderen.”
Dit is geen actiefilm, maar een komedie in
vermomming.

Als dusdanig had ‘Ghost Rider’ best kunnen werken als tongue
in cheek-
actiepastiche, indien regisseur en scenarist Mark
Steven Johnson maar eens het lef had gehad om all the way
te gaan in die richting. ‘Ghost Rider’ heeft best wel geinige
momentjes die uitnodigen tot herhaalde visies op bezopen
vrijdagavonden onder vrienden (er zitten scènes in de film die na
je vijfde pils waarschijnlijk om je te bepissen zo grappig zijn).
Maar die scènes zijn eigenlijk veel te zeldzaam in een woestenij
aan dode momenten (no pun intended), waarin Johnson zowaar
een liefdesverhaaltje op gang probeert te trekken dat nooit weet te
overtuigen, en aan actiescènes die zelden zo spectaculair zijn als
de makers zelf schijnen te denken. Want natuurlijk moet Johnny ten
behoeve van zijn ontwikkeling als personage ook een oud lief tegen
het lijf lopen, gespeeld door Eva Mendes. Die hele relatie heeft
ongeveer evenveel passie en urgentie als een spelletje
kleurenwiezen tussen een opa en oma in een bejaardentehuis op
zondagmiddag, wat ervoor zorgt dat dat aspect van de film plat op
z’n kont valt. Dat maakt weer deel uit van de eigenaardige
ontseksing van actiefilms tegenwoordig (en zéker van
comic book movies). Dit genre film loopt vol met
superhelden die dan wel de wereld kunnen redden en een trein kunnen
opheffen, maar niet in staat zijn om zelfs maar een vrouw te
zoenen. Echte venten houden zich daar schijnbaar niet mee bezig,
die hebben het te druk met het professioneel inmaken van
slechteriken.

Hoewel die slechteriken hier ook een beetje tegenvallen. Wes
Bentley, ooit nog de jongen met de camera in ‘American Beauty’,
amuseert zich best als Blackheart en de finale confrontatie tussen
hem en Johnny Blaze is nog wel oké. Niet schitterend, we hebben al
veel beter gezien in het genre, maar toch oké. Wat wél sterk
teleurstelt, zijn zijn sidekicks – drie demonen die naar
verluidt ongelooflijke bad-asses zouden moeten zijn, maar
wiens gevechten met Blaze maar al te snel zijn afgelopen. Gemiddeld
stramien van zo’n actiescène: de demon geeft Johnny Blaze een harde
duw zodat die een paar meter verderop landt. Blaze staat op, stoft
zijn leren jasje af en zonder boe of ba vermoordt hij die demon.
Einde scène. Echt veel adrenaline komt er niet bij kijken, en ook
al is de climax van de film ietsje sterker, je blijft toch achter
met een gevoel van “is het dàt maar?”.

Nicolas Cage schmiert zich een weg door het materiaal, zoals
gebruikelijk wanneer hij in dit soort rollen opduikt. Het is
onderhand al van ‘Lord of War’ geleden dat hij nog eens in een
goeie film zat en ik kon me hier niet van de indruk ontdoen dat hij
zich een groot deel van de tijd zichtbaar zat te vervelen. Naarmate
de situaties gekker worden en hem meer gelegenheid bieden tot de
overacting waarvoor hij bekend staat, komt hij wat meer tot leven,
maar dit blijft een easy money-rolletje voor hem. Eva
Mendes kan voor geen meter acteren maar wordt ten alle tijden
voorzien van een hypnotiserend diep décolleté, waarvoor onze dank.
Je zou bijna vergeten hoe slecht ze eigenlijk is. De meeste
fun valt er nog te beleven met Wes Bentley, die eruit ziet
alsof hij continu z’n lach staat in te houden.

En dat is dan ‘Ghost Rider’: een paar scènes die er zover over
zijn dat ze onweerstaanbaar grappig worden, met daar tussenin een
liefdesverhaaltje dat niet werkt en actiescènes die naar de
standaards van het genre magertjes uitvallen. De term “scheet in
een fles” werd hiervoor uitgevonden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien − 10 =