Cold War Kids :: Robbers & Cowards

Weinig hypes overleven de hype. En laat Cold War Kids nu net de uitzondering op die regel zijn — al had iedereen dat al lang in de mot. Meer dan twee jaar geleden maakten invloedrijke muziekblogs hun indiekid-aanhang al diets dat deze band op het punt stond finaal door te breken.

Het heeft wat langer geduurd, maar door al die overdreven aandacht in de blog-o-sfeer ging de bal ook aan het rollen bij de mainstream media. Gevestigde waarden als BBC of Rolling Stone pikten de signalen van de verstokte webloggers op en bombardeerden het viertal uit Long Beach tot dé belofte van het gezegende jaar 2007. Niet geheel onterecht overigens, aangezien het gezelschap in het verleden al enkele meer dan redelijke e.p.’s releasete.

Zo was er het debuut Mulberry Street, een e.p. die niet altijd even hard kon boeien. Een track als “Quiet, Please” deed evenwel vermoeden dat er toch enige wereldklasse in de band school. Het wat gedateerde gitaarwerk, gecombineerd met de nasale, naar ironie neigende vocale pathos, smaakte naar meer. Meer nostalgie om precies te zijn, want dàt typeert de band. Denk aan Dylaneske Stonesrock met Betaband-invloeden, een scheut Billie Holiday, wat Tom Waits-achtige keteluitstapjes en een daaruit resulterende dijk van een identiteitscrisis. Zo goochelen met invloeden kan fataal zijn, maar Cold War Kids weet er wonderwel een geluid met een eigen smoel uit te puren.

Naast dat eigen smoel hebben de heren Cold War Kids ook nog eens een ferme live-reputatie. Het was dan ook kwestie dat gevoel op hun debuut vast te pinnen. En daar zijn ze, gelukkig, in geslaagd. Een song als “Hang Me Up To Dry” is sowieso al een belevenis van formaat: een heerlijk oudbakken orgeltje, gecombineerd met droog drumwerk, maakt de song tot een waardige voorjaarsklassieker.

Eveneens op het hoogste schavot: radiohitje “We Used To Vacation”. Idiote of briljante gitaarsolo, de verzamelde pers is er nog niet uit. Wat maakt het ook uit, wat telt is dat er een zeker gevoel van tijdloosheid aan de song kleeft. Branie ook, al is het maar door de knap verhalende tekst. Een laatste klapper is ook “Saint-John”: een doordachte stamper die inspireert tot het betere ritmische handgeklap. De mosterd bevindt zich ergens ten huize Waits; gesteld dat Tom zich aan gospel waagt, uiteraard. Vreemd nummer, maar daarom niet minder catchy. Deze songs zijn kleppers van wereldformaat: radiovriendelijk, en zelfs aanvaardbaar voor de snobistische Joanna Newsom-kliek.

Naast dit trio zijn er nog een heleboel nummers die het predikaat “degelijk” mee krijgen. Voldoende om de aanschaf te verantwoorden, dus. Het wat op Zuiderse roots geënte “Passing The Hat” verdwaalt ergens tussen Arctic Monkeys en Los Lobos — om maar even heel breed te definiëren. “Hospital Beds” is voor de ene flauw geijl dat jeuk bezorgt op de meest ondefinieerbare plaatsen, terwijl de andere er het lijflied van de post-Radiohead-generatie in hoort. Ook een “Tell Me In The Morning” doet het beste vermoeden voor de toekomst.

“Pregnant” ontpopt zich tot een onooglijk maar daarom niet minder aandoenlijk liefdesliedje. Met “Red Wine, Succes!” vat de band de succesformule van voorgaande tracks nog eens samen: wat oubollig overkomen, maar er iets nieuws en verdomd aanstekelijks van maken. Jammer dat niet alle songs weten te overtuigen. Op “Robbers” bijvoorbeeld staat de boog niet bepaald gespannen.

Ondanks een enkele mindere song verdient dit viertal toch bloemen en kransen. Met dit meer dan degelijke debuut bewijzen ze dat een hype niet noodzakelijk synoniem is voor archislechte Britse Libertines-doorslagjes. Mooi debuut, en live daarenboven een interessantere ervaring (Herman?). Benieuwd wat deze band nog zoal in zijn mars heeft.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig − 20 =