M. Ward :: Post-War

Naar ons gevoel bracht het muziekjaar 2005 weinig tijdloze platen met zich mee. Eentje die de tand des tijds echter wél met sprekend gemak lijkt te doorstaan, is Transistor Radio, de bluesgetinte indie folkrockplaat waarmee singer-songwriter M. Ward ons vorig jaar verblijdde. En kijk: twaalf maanden later is het weer van dattum.

Ware het niet dat hij eruitziet als een pizzajongen die, niet met eenduidig succes, een hardnekkige puberteit tracht te ontgroeien, je zou zweren dat er een roetzwarte bejaarde voor je neus staat. Matt Ward beschikt immers over zo’n uniek spraakorgaan, dat het niet anders kan of de verdwaalde geest van een circa tachtigjarige aan tbc overleden bluesneger houdt zich schuil in zijn binnenste. Dat de man daarnaast een van de meest begenadigde, maar eveneens meest onderschatte songschrijvers van het Amerikaanse continent is, maakt dat hij ondertussen toch al een bepaald indrukwekkend oeuvre heeft bijeengepend.

Het vorig jaar verschenen Transistor Radio was daarin een voorlopig hoogtepunt, dat evenwel weinig opzien baarde. Als de plaat in beperkte kringen al voor enige ophef zorgde, dan was dat vooral omdat de melodie van een van de songs bizar genoeg sterke herinneringen opriep aan Will Tura’s "Ik ben zo eenzaam zonder jou". Godzijdank geen spoor van Tura op Post-War. Deze snelle opvolger is M. Wards vijfde en meest toegankelijke plaat tot op heden, die heel misschien wel eens de doorbraak naar een groter publiek zou kunnen forceren.

Grote koerswijzigingen vallen er op Post-War nochtans niet te noteren: alle ingrediënten zijn dezelfde gebleven, maar de bereiding wordt verder geperfectioneerd. Songs als "Eyes On The Prize", "Right In The Head", "Rollercoaster" en het bloedstollende titelnummer kunnen zonder blozen naast het beste van Transistor Radio staan. En naar aloude gewoonte staat er ook weer een cover op de plaat: met behulp van Neko Case krijgt deze keer "To Go Home" van Daniel Johnston een geslaagde opknapbeurt.

Het verschil met Wards vorige platen zit hem in de uptempo nummers. Niet alleen zijn ze groter in aantal, ze stralen bovendien een gevoel van levensvreugde uit waar we M. Ward tot nog toe niet mee associeerden. Zou M. misschien gelúkkig zijn …? Zo lijkt het alleszins wel. Het aanstekelijke "Magic Trick" koppelt vrijwel moeiteloos een Beatlesrefrein aan The E-Street-gitaarwerk. Het geheel klinkt als een countrysong op zijn Flaming Lips.

Dat Ward ook in de studio een vakman is, valt duidelijk te horen aan de piekfijne productie op Post-War. Eerder dit jaar nog maakte Beth Orton dankbaar gebruik van Wards kunnen als producer. Met hem achter de knoppen en vaak zelfs op gitaar, maakte ze haar beste werk in jaren. Ook hier valt het zuivere, maar toch van de nodige korrel voorziene geluid op, en dan voornamelijk in "Poison Cup", dat steunt op een wondermooie melodie en waarin de hoofdrol is weggelegd voor strijkers en een lekker ouderwets klinkende drumpartij.

Instrumentale afsluiter "Afterworld/Rag" heeft iets weg van de klassieke murder ballad "Stagger Lee" en vormt een ingetogen einde van alweer een uitstekende maar een naar Wards normen opvallend swingende en makkelijk in het oor liggende groeiplaat. Eind oktober stelt de zanger in zijn dooie eentje Post-War voor in de nieuwe concertzaal Trix in Antwerpen. U raadt vast al welk licht dwingend verzoek hierop volgt … inderdaad: gaat dat zien!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien − tien =