Motörhead :: Kiss Of Death

Je kan die van Motörhead van veel beschuldigen (en ze zullen er al te graag een schepje bovenop doen) maar niet van luiheid. Hun negentiende studioalbum Kiss Of Death is niet bepaald een hoogvlieger, maar hoeveel zestigjarigen kent u die nog tot dit soort geluidsvervuiling in staat zijn?

Motörhead lijkt al jaren een klassiek rock-’n-rollbestaan te leiden: ofwel zijn ze de zoveelste Europese tournee aan het afwerken, ofwel zitten ze in de studio een nieuw album op te nemen. Is dat niet het geval, dan bezondigen ze zich wel aan veelwijverij in de foute nachtclubs van Los Angeles. Sinds jaar en dag zijn ze al een instituut, met Lemmy als übericoon. Metal, hardrock, punk, en al hun subgenres, ze hebben allemaal een en ander te danken aan de primitieve attack en no nonsense-attitude van deze band. Motörhead staat synoniem voor een visie op muziek, zoniet het leven. Het zou echter allemaal niet waar geweest zijn als Lemmy, de gorgelman die Jack Daniels elk jaar een aanzienlijke winstmarge bezorgt, geen goed songschrijver zou zijn. De navolgers durven dat wel eens te vergeten: met decibels alleen geraak je er niet.

De carrière en catalogus van de band "wisselvallig" noemen, is een understatement van formaat, en zeker de laatste vijftien jaar willen de kwaliteitsverschillen opvallen. Opmerkelijk daarbij is het patroon dat zich ineens aftekende: na Sacrifice (1995) was er steevast een afwisseling van sterke en zwakkere albums. Zo werd het prima Overnight Sensation (1996) gevolgd door het flauwe Snake Bite Love (1998), en We Are Motörhead (2000) door het ontstellend zwakke Hammered (2002). Het vorige album, Inferno, was een carrièrehoogtepunt, dus een tegenvaller zat eraan te komen. Wat blijkt nu? Kiss Of Death zet inderdaad een stap terug, maar is beter dan verwacht. Het ontbeert de energie en het straffe openingssalvo van z’n voorganger, maar het is een degelijk Motörhead-album. Niet meer, maar zeker ook niet minder.

Zoals zo vaak zijn het de retro-uitstapjes die het gemiddelde niveau wat omlaag halen. De boogierock van "One Night Stand" bezorgt de bikers ter lande vast een adrenalinestoot, maar het geraakt dan ook weinig verder dan clubhuisniveau. Al even onopmerkelijk zijn de midtempo hardrock van "Devil I Know", de catchy L.A.-rock van "Christine", en de pompende metal van "Living In The Past", een half geslaagde poging om aan te sluiten bij het hedendaagse metalgeweld. Helaas vindt Lemmy het ook nu weer nodig uit te pakken met een ballade, een traditie die in het leven werd geroepen op 1916 (1991). Het antireligieuze "God Was Never On Your Side" is geen onoverkomelijk gedrocht, maar Lemmy en gas terugnemen, het blijft wennen.

Met "Sucker" wordt naar goede gewoonte sterk geopend. Het is Motörhead zoals we de band het liefst hebben: snel, gemeen, met opgestoken middenvinger: "How we are, ain’t how we were / Innocence is for the birds." Lemmy is intussen al een tijdje toe aan een vals gebit, maar het zit nog prima met z’n machismo. Ook Phil Campbell (gitaar) en Mikkey Dee (drums) gaan als vanouds tekeer. Andere hoogtepunten liggen verspreid over het album: "Trigger" is melodieuze hardrock voor een breed publiek, terwijl "Under The Gun" zich voortsleept als een losgeslagen graafmachine. Het beste wordt bewaard tot het prima eindhoofdstuk: "Be My Baby" wordt voortgejakkerd door een hoekige monsterriff, "Kingdom Of The Worm" is een terugkeer naar de eighties Motörhead, en "Going Down" is klassieke speedrock van het soort waar de band bekend door is geworden. Als bonus krijg je ook nog een degelijke cover van Metallica-klassieker "Whiplash".

Kiss Of Death biedt niks nieuws, maar dat geldt eigenlijk voor elk album dat na oude klassiekers uitgebracht wordt. Het zijn allemaal variaties op een blauwdruk van bijna drie decennia oud. Het voordeel: Lemmy & Co. zullen het pas begeven als zelfs de beademingsapparaten en pijnpompen geen heil meer bieden, en dat kan nog wel even duren.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

zes + vijf =