The Black Keys :: The Magic Potion

Het kon niet eeuwig blijven duren. Ooit moesten The Black Keys hun
voorlopige plafond bereiken. Na twee pareltjes (‘Thickfreakness’ en
‘Rubber Factory’) gemaakt te hebben, slagen Dan Auerbach en Patrick
Carney er helaas niet in het succes verder te zetten.

Auerbach en Carney zullen vast begrepen hebben dat nog maar eens
een ‘Rubber Factory’ uitpompen misschien net zo nefast zou geweest
zijn, dus hebben ze met ‘The Magic Potion’ een andere route
gekozen. Het album mag dan wel op een herkenbare manier aanvatten
met ‘Just Got to Be’ en ‘Your Touch’, je merkt onmiddelijk dat er
iets niet helemaal klopt. Het ondenkbare is namelijk gebeurd: The
Black Keys zijn tenondergegaan aan hun eigen productiedriften. Dit
album werd, net als de vorige, door de mannen zelf ineengestoken,
en ze klinkt ook heel wat anders dan de voorgaande platen. Er lijkt
meer ademruimte te zijn. Carney en zijn drumkit zijn wat naar de
achtergrond verschoven en maken plaats voor Auerbach, zijn gitaar
en een scheve reverb.

Dit bleek achteraf gezien een fout te zijn. The Black Keys hebben
vaak kunnen profiteren van hun opeengepakt geluid. In een interview
verklaarden ze ooit dat één van hun productielesssen die ze
opgedaan hadden de volgende was: “speel alles zo luid mogelijk”.
Blijkbaar hebben ze deze les even uit het venster gekeild om nu een
zachtere, overwegend tragere plaat te maken.

Wij willen niet beweren dat The Magic Potion van begin tot eind een
kotsplaat is, maar ze lijkt haar doel volledig te missen. Door haar
ruimere aanpak komen er ook wat gaten in die bluesrockidylle van
één drummer en één gitarist. Sommge nummers – we noemden reeds
‘Your Touch’ – smeken bijna om een verdere opvulling die er nooit
komen zal. Iemand moet Dan Auerbach er trouwens dringend op attent
maken dat hij, ondanks zijn begenadigde gitaarspel en vocale
kwaliteiten, niet Hendrix, J. heet. De man begint op den duur een
beetje op Anthony Kiedis te lijken, en dat kan toch niet de
bedoeling geweest zijn.

Natuurlijk zijn er wel fijne momenten op The Magic Potion. ”Just a
Little Heat’ heeft ballen, ondanks het allesbehalve inventieve
gitaarspel (tot de solo wat frisse lucht in het nummer blaast). Dat
gebrek aan inventiviteit is nog zo’n probleem. Het lijkt de band
niet te lukken het simpele doch geniale te herreiken dat hun vorige
platen zo genietbaar maakt. Dit komt misschien ook deels door de
nood die men gevoeld moet hebben om trager te spelen, wat
automatisch de focus wat meer op de vocals legt. Weet je wat, laten
we gewoon eerlijk zijn: The Black Keys is gewoon een
neo-bluesformatie geworden. Die indruk krijg je alvast als je naar
nummers als ”Give Your Heart Away’, ‘Strange Desire’ of ‘The
Flame’ luistert.

Dan zijn er nog knallers als ‘Goodbye Babylon’ dat op een vreemde
manier iets van Led Zeps ‘Black Dog’ heeft, alleen komt die climax
er niet, en dat is wel zeer jammer. Excuseert u even mijn
beeldspraak, maar ‘The Magic Potion’ is zo’n beetje als de liefde
bedrijven met de buurvrouw om dan in het heetst van de strijd te
beslissen dat je er eigenlijk helemaal geen zin meer in hebt.
Grappig detail wel: het volgend nummer heet ‘Black Door’. Een song
die ook opvalt door de extra moeite die Dan en Patrick gestoken
hebben in de overdreven reverb voor zowel gitaar als
vocals.

Ik kan kort zijn over The Magic Potion: het beluisteren van deze
plaat heeft veel pijn gedaan. Ik kan haar kwaliteiten wel inzien,
maar die zijn eerder van esthetische dan van muzikale aard, en dat
is een zeer spijtige zaak. Het is echter wel zeer positief dat The
Black Keys eigenzinnig hun ding blijven doen, maar dit album wordt
misschien toch beter vermeden, tenzij u echt álles in huis wil
hebben dat ooit door de tuinmannen uit Ohio werd aangeraakt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × 4 =