The Bellrays :: Have A Little Faith

Lisa Kekaula. Die naam alleen al. Ke-Kau-la. Ware het niet dat we ons in de late jaren tachtig al te buiten gingen aan het bekladden van kaften met namen van vrouwelijk schoon (hormonen, etc.), we zouden de naam van de voluptueuze zangeres op iedere beschikbare vierkante centimeter zetten. Haar uitstraling, haar misthoornstem, haar gigantische afro. Deze vrouw is de incarnatie van maximum rock-’n-roll.

Natuurlijk zijn The Bellrays meer dan een frontvrouw met backing band, maar net als bij de stilistisch vergelijkbare Dirtbombs gaat het eigenlijk om een oerdegelijke band die naar ongekende hoogtes wordt getild door een zanger(es) die de competitie op een hoopje keelt. Vrouwen in rock? Lisa Kekaula is de standaard die wij hanteren. Zoals bij de grootste performers werkt haar act (nog) beter op een podium dan op een schijfje, want dan is het meteen raak. In het geval van Kekaula is het niet eens overdreven om haar te omschrijven als "Tina Turner op een extatische coke trip". De grote massa zal haar (onbewust) kennen van "Good Luck" van Basement Jaxx, maar het is pas tijdens de opzwepende zweetmarathons van The Bellrays dat deze punk queen of soul tot haar recht komt.

De band heeft verder met The Dirtbombs gemeen dat het oudere werk aanzienlijk smeriger, wilder en meer lo-fi is. De eerste albums (geweldig gebloemleesd op de onmisbare compilatie Meet The Bellrays) slaagden er amper in om hun waanzinnige energie binnen de perken te houden wanneer Kekaula zich de longen uit het lijf schreeuwde en de band een hels lawaai maakte dat teerde op de opruiende Detroit rock van MC5, het semichaotische geluid van de oude Black Flag (gitarist Tony Fate kan als geen ander een Greg Ginn-imitatie geven) en vintage soul vibes. Zoals al aangegeven door de cover, die breekt met de traditie van simpel design, wordt de evolutie richting een gepolijster geluid verdergezet die het vorige album, The Red, White & Black, al kenmerkte. Met wisselend succes.

Openingsnummer "Tell The Lie" nestelt zich tussen de urban soul/funk van Curtis Mayfield en Isaac Hayes, maar terwijl dat bij veel moderne bands niet meer dan een flauwe gimmick is, slagen The Bellrays erin om het geloofwaardig én funky te houden. Ook de titeltrack is geslaagd: een zijdezachte soulballad met Kekaula’s rauwe performance als weerhaakje, en als "Third Time’s The Charm" met z’n blazersopvulling eraan komt, dan wanen we ons zelfs in de Stax Studio’s, zo ergens rond 1966. Dit had door de Otis Redding opgenomen kunnen zijn.

Uiteindelijk zijn het natuurlijk wel de vuile rocksongs die het ’m doen, en de snoeiharde sixtiesrevivalrock is weer van de partij: "Time Is Gone", "Chainsong" en "Snotgun" zijn briesende lappen rock-’n-soul met grofkorrelige gitaaruithalen, woeste, aan Keith Moon en Dennis Thompson ontleende drumpartijen en straffe vocale gymnastiek. "Snotgun" doet in z’n rechtlijnigheid ook denken aan oudje "Killer Man", al valt bij een nadere vergelijking op dat het recente nummer wat makker is. En dat is net het probleem: door het geluid te polijsten, klinkt de band nog maar half zo opwindend als vroeger, en de inlassing van jazzy bruggetjes zet het verlies van rauwe energie nog sterker in de verf.

Het is geen wonder dat de drie songs van bassist Robert Vennum het album over de streep helpen: "Change The World", "Detroit Breakdown" en "Maniac Blues" hebben attitude te over, rocken én rollen en zetten aan tot goedkeurend vuistengebal en kontengedraai. Zo is Have A Little Faith best een fijne plaat, al is het naar Bellrays-normen veeleer een stapje terug. We twijfelen er echter niet aan dat dit rechtgezet zal worden als de band nog eens komt tonen hoe een zaaltje of weide in lichterlaaie kan worden gezet met zijn ontvlambare fusie van punk en soul.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

4 + achttien =