Wire :: The ‘Remasters’



Wire : Pink Flag ****
Wire : Chairs Missing ****
Wire : 1 54 *****

In het Londen van de jaren ’76 en ’77 was het voor de doorsnee
punkband haast onmogelijk geworden nog een club te vinden om op te
treden. Na enkele ‘concerten’ met fikse rellen, vechtpartijen (in
één geval zelfs met dodelijke afloop) en vooral héél véél materiële
schade en weinig fraaie vermeldingen in de landelijke pers, kozen
vele clubeigenaars eieren voor hun geld en hielden ze hun deuren
voortaan gesloten voor het rapaille uit King’s Road. Maar toen Andy
Czezowski, de toenmalige manager van The Damned, de hand kon leggen
op een louche tent in Neal Street en die omdoopte tot Roxy Club,
had de punkscene weer (even) een veilige thuishaven waar
‘gevestigde’ en beginnende groepen ongehinderd en ongeremd konden
spelen en ‘groeien’.

Elke band was welkom in de Roxy Club, of ze nu behoorlijk kon
spelen of niet. Voor wie zwaar door de mand viel, was er geen enkel
probleem: nog even oefenen en volgende keer beter, luidde het. Toch
kreeg niet iedereen zo’n tweede kans. In februari ’77 kreeg het
zogeheten Wire na haar vuurdoop te horen zich nooit meer te laten
zien in de Roxy. De piepjonge, onervaren groep speelde naar
verluidt een zwakke set, die zelfs naar punknormen niet door de
beugel kon. Vandaag, bijna dertig jaar later, worden de eerste drie
platen – zeg maar klassiekers – van Wire opnieuw uitgebracht en
zijn critici en (alternatieve) muziekliefhebbers het delirium
nabij. Het kan verkeren, zei Bredero, of hoe het lelijke eendje
zich plots ontpopte als het Paard van Troje van de punk.

Wire wordt opgericht aan de Watford School of Art, door Colin
Newman en kotgenoot George Gill. Met wat er op muzikaal vlak in
Londen gebeurt loopt het duo niet hoog op, hun inspiratiebronnen
wonen immers in New York: Velvet Underground, Patti Smith, The
Modern Lovers en de Ramones. Voor een optreden naar aanleiding van
een schoolproject, slaan Newman en George de zeven jaar oudere
schilder Bruce Gilbert (tevens als technicus werkzaam aan de
kunstschool) aan de haak. Ook al draait deze eerste performance uit
op een regelrechte ramp, de drie besluiten bij elkaar te blijven en
gaan zelfs op zoek naar een ritmesectie: in hun vrienden- en
kennissenkring komen ze terecht bij Graham Lewis en George Gotobed,
een modeontwerper en een pubrockzanger die respectievelijk worden
omgeschoold tot bassist en drummer.

Aanvankelijk loopt het allemaal nog niet zo lekker: George Gill is
dé leider van de groep, neemt alle composities voor zijn rekening
en stouwt de songs dan ook nog eens vol met slecht gespeelde,
vervelende gitaarsolo’s waardoor alle vaart eruit verdwijnt. Geen
wonder dus dat de groep niet meteen in de smaak valt bij het
rechttoe rechtaan punkpubliek in de Roxy Club. Wanneer Gill even
later (tijdens een poging tot het stelen van een gitaarversterker)
ten val komt en een arm breekt, is hij enkele weken buiten strijd.
De andere vier grijpen hun kans en beginnen als gekken te repeteren
(vaak dagen aan een stuk, van ‘s morgens tot ‘s avonds) en zonder
hem nieuwe nummers te schrijven. Twee maanden na het debacle in de
Roxy Club krijgt Wire dan toch een tweede kans in de Britse
hoofdstad. Het publiek is nog steeds niet onder de indruk, maar de
groep valt in de smaak bij Mike Thorne van EMI. Thorne besluit zich
te ontfermen over de groep en versiert voor hen een deal met
Harvest, het label waar EMI haar minder toegankelijke acts
parkeert.

Ook al klinkt Wire op dat ogenblik even luid, snel, intens en rauw
als de gemiddelde punkband van die tijd, punk is het allerlaatste
waar de groep wil bij horen. Eén van de redenen is dat punk voor
hen nog steeds net iets te conventioneel is (want niet veel meer
dan een versnelde en ruwe versie van klassieke rock met strofen,
bridges en refreinen). De repetitieruimte van Wire wordt stilaan
een heus laboratorium: songs worden gedemonteerd, ontleed en
afgekloven tot op het bot, tot alleen de kern, de essentie
overblijft. Liever dat dan tracks onnodig te rekken, eindeloos te
herhalen of op te smukken met overbodige, niet ter zake doende
franjes. Wanneer in december ’77 – tijdens de hoogdagen van de
eerste punkgolf – debuutplaat ‘Pink Flag’ verschijnt, is Wire
allang ‘beyond punk’.

‘Pink Flag’ telt 21 songs, als geheel klokt de plaat echter
af onder de zesendertig minuten. Hier en daar wordt de muziek van
‘Pink Flag’ wel eens omschreven als computermuziek, in die zin dat
het lijkt alsof alle bruikbare ideeën door een computerprogramma
werden geselecteerd, gesorteerd en aan elkaar geplakt. De
consequentie van het consequent zijn is dat heel wat songs het
moeten stellen zonder refrein, vaak niet meer behelzen dan een
stevige intro en geregeld niet boven de één-minuutgrens uitkomen.
Uitschieters op ‘Pink Flag’ zijn ‘Three Girl Rumba’, ‘Ex Lion
Tamer’ (oftewel dat wat nog overbleef van de oorspronkelijke song
‘Lion Tamer’), ‘Lowdown’, de titelsong, ‘Mannequin’ en ‘1 2 X
U’.
Terwijl ‘Pink Flag’ op de wereld wordt losgelaten, is Wire al volop
bezig aan de voorbereiding van de volgende plaat. Tijdens de toer
die werd opgezet om de eerste elpee te promoten, speelt de groep
amper ‘oude’ nummers, maar wordt integendeel nieuw werk
uitgeprobeerd op een livepubliek. (Zeer tot ongenoegen van dat
publiek, trouwens.)

‘Chairs Missing’ komt uit in 1978 en laat een heel ander
Wire horen. Waar de groep zich op ‘Pink Flag’ ook qua
instrumentarium beperkte tot gitaar, bas, drum en zang, wordt deze
keer ook gebruik gemaakt van nieuwe technologische snufjes en werkt
de groep met keyboards, synthesizers en loops. De sprong van
(anti)punk naar gesofisticeerde postpunk en new wave is
opmerkelijk. Dit is niet alleen de verdienste van de groep, maar
ook die van producer Mike Thorne. De sound op ‘Chairs Missing’ is
veel rijker, de vijftien songs klinken gevarieerder en vooral
warmer dan die van het ijskoude ‘Pink Flag’. Onze favorieten:
‘Practice Makes Perfect’, ‘Sand In My Joints’, ‘Heartbeat’,
‘Outdoor Miner’, ‘I Am the Fly’ en ‘From the Nursery’.

Voor de derde plaat, ‘154’, gaat de groep nog verder op de
ingeslagen weg. Steeds verder wijkt Wire af van de originele
punksound. Op ‘154’ wordt duidelijk dat de Berlijn-platen van Bowie
een belangrijke inspiratiebron vormden. Wire probeert een vervolg
te breien aan de glam-met-brains van de vroege Roxy Music, toen
Brian Eno daar nog de lakens uitdeelde. Tegelijkertijd klinken
sommige songs als Britpop avant la lettre. Met ‘Map Ref. 41°N 93°W’
bijvoorbeeld lukt het hen zelfs de perfecte popsong neer te zetten,
weliswaar met een onmogelijk meezingbare tekst. De evolutie die in
gang werd gezet tijdens de opnames van ‘Chairs Missing’ bereikt op
deze plaat een hoogtepunt én een voorlopig eindpunt. Uitschieters:
zo goed als alles…

In 1980 valt de groep (voor het eerst) uit elkaar. Nadien werden
nog enkele reünies op poten gezet, maar net zoals het ooit ook
Television verging, keerde de magie van de beginjaren nooit
helemaal terug. Vandaag klinken deze drie platen misschien niet
meer zo revolutionair en vernieuwend als toen, maar dat heeft alles
te maken met de grote invloed die Wire tot vandaag heeft (gehad) op
de generaties rockmuzikanten die na hen kwamen…

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twee × een =