Firewall




Wat moet het ongelooflijk comfortabel zijn om Harrison Ford te
heten: je bent zo rijk als de zee diep is, in je beroep heb je niks
meer te bewijzen (je hebt zelfs al een lifetime achievement
award
gekregen, ga dààr maar eens aanstaan) en bijgevolg kun je
je dagen rustig vullen met wat gesleutel aan je privé-vliegtuigen.
Als je jezelf wat te oud voelt worden, neem je snel een vriendin
die geboren werd rond de tijd dat je zelf de pensioengerechtigde
leeftijd bereikte en heel af en toe, als je zin hebt, speel je nog
eens mee in een filmpje. En als je dat doet, zorg je er uiteraard
voor dat er geen al te grote inspanningen van je worden vereist:
Harrison Ford speelt Harrison Ford, altijd en overal. Je gromt je
teksten alsof je net uit bed bent gestapt, ongeacht je leeftijd
kick je nog regelmatig ass, en van tijd tot tijd debiteer je een
goed bekkende one-liner die zo in de trailer kan. In het geval van
‘Firewall’ is dat: ‘Change of plans, asshole!’ Right on!
Nee, er is niet veel nieuws onder de zon in ‘Firewall’. Dit soort
film is wat het is, niet meer en niet minder.

Ford speelt Jack Stanfield, een beveiligingsexpert die een
waterdicht computersysteem heeft ontwikkeld om banktransacties
veilig te laten verlopen. Zijn leven verloopt lekker (vrouw,
onmogelijk schattige kindertjes, keffer, puh-rachtig huis), totdat
hij brutaal wordt gehomejackt door Bill (Paul Bettany). Samen met
een aantal compagnons houdt Bill Jacks gezin gegijzeld om hem zo te
verplichten om zijn eigen beveiligingssysteem te omzeilen en zo’n
honderd miljoen door te sluizen naar een offshore account.
Aanvankelijk lijkt Bill Jack helemaal in de tang te hebben, maar
hey, dit is dus wel Indiana Jones waar we het over hebben. Voor je
het weet, trekt Ford alweer zijn karakteristieke grijns en bromt
hij alweer als vanouds zijn one-liners.

Tijdens het eerste uur is ‘Firewall’ aardig amusement, dat zeer
degelijk wordt opgezet. Regisseur Richard Loncraine, die eerder al
verantwoordelijk was voor de komedie ‘Wimbledon’, kleurt nergens buiten de
lijntjes van het genre, maar de rustige set-up die hij hier geeft
doet alvast denken aan betere tijden, toen het nog niet
noodzakelijk werd geacht om de eerste explosie binnen de vijf
minuten af te werken. Die aanpak is oerklassiek, maar ze wérkt:
wanneer we aan het begin van de film zien dat een speelgoedautootje
storingen veroorzaakt op de tv, weten we natuurlijk direct dat dat
achteraf nog van pas zal komen. Wanneer Jack totaal onverwacht
bezoek krijgt van een crediteur die beweert dat hij 95.000 dollar
aan gokschulden heeft opgelopen, weten we uiteraard wel dat dat
slechts een voorbode is van de dingen die nog zullen komen. Maar
goed, ik was al blij dat er nog eens een film verscheen waarin er
effectief sprake is vàn een opbouw. Elementen die in de eerste akte
worden aangebracht, krijgen later een pay off, en zo hoort
dat. De meeste thrillers van de laatste jaren schijnen nooit verder
vooruit te plannen dan de volgende vijf minuten, óf ze voegen aan
het einde een plottwist toe die zo van de put gerukt is dat alles
wat voordien kwam eigenlijk irrelevant wordt (denk aan ‘Basic Instinct 2’, of nog beter: doe dat
vooral niet).

Het is echter na dat eerste uur dat het fout loopt. Want natuurlijk
vindt Ford wel een manier om terug te slaan, en eens hij daaraan
begint, bloedt alle geloofwaardigheid zienderogen uit de prent weg.
We krijgen plotwendingen rond een hond met een GPS-systeem in z’n
halsband waar je op z’n best je wenkbrauwen eens bij kunt fronsen,
Ford doet vanalles met een iPod waar zo’n ding niet voor gemaakt is
en aan het einde mag hij natuurlijk bewijzen dat hij, voor een man
van 63, nog degelijk uit de voeten kan. Tijdens de finale
actiescène tussen hem en Paul Bettany moet Ford het niet enkel
opnemen tegen een man die ongeveer half zo oud is als hij, maar
vooral ook tegen de geest van zijn eigen jongere zelf, zoals we die
nog kennen uit de ‘Indy’– en
‘Star Wars’-films. Op een leeftijd
waarop de incontinentiepamper misschien geen decennium in de
toekomst meer ligt, moet hij geloofwaardig een gezonde man van 35
in elkaar rammen. Het lukt hem – net. Maar het zal mij benieuwen
hoelang hij daar nog mee door kan gaan.

Afgezonderd van die van de pot gerukte finale, had ik ook moeite
met een aantal van de bijrollen. Robert Forster en Robert Patrick
(ooit nog een onvergetelijke moordmachine in ‘Terminator 2’) duiken
heel even op en worden vervolgens weer afgevoerd, zonder dat ze
echt iets wezenlijks bijdragen aan de plot. Hetzelfde kan trouwens
gezegd worden van Alan Arkin – grote acteurs in kleine
bijrolletjes, die in feite maar weinig in de film komen zoeken,
behalve dan dat ze de wereld van de prent net iets groter maken.
Jack werkt op een kantoor, op dat kantoor moeten mensen rondlopen,
dus geven we die mensen maar enkele regels tekst en we laten ze
spelen door gereputeerde acteurs op hun retour. Dan kun je die
namen in ieder geval op je affiche zetten.

‘Firewall’ is professioneel gemaakt amusement, dat met z’n zuinige
105 minuten geen seconde te lang duurt, en vooral Paul Bettany is
erg goed als de stereotypische schurk-met-Brits-accent. Maar het is
allemaal zó voorspelbaar, en het einde is er zó ver over, dat de
film toch nooit boven de grijze middelmaat weet uit te komen.
Kijken en vergeten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig − 10 =