Belle and Sebastian :: The Life Pursuit

Popliefhebbers worden te weinig verrast: we zijn deze mening al
lang toegedaan na jarenlang om de oren geslagen te worden met
voorspelbare platen. Sommige groepen vergeven we een gebrek aan
stijlwisselingen maar al te graag: bands als Pinback, Sigur Rós, Mogwai en Eels zijn zo bedreven in hun superieure
artistieke uitspattingen dat een voorspelbaar geluid geen punt van
kritiek maar juist een voordeel is. Bij groepen als Placebo en Deftones geldt dan weer net het
omgekeerde.

Maar kijk: 2006 is nog geen twee maanden oud en de wereld is al een
paar muzikale surprises rijker (en daarmee doelen we niet op de
geforceerde poging tot mysterie van La Sakhra die met een
Portishead-pastiche het minst irritante nummer van de Eurosongmeute
wist te brengen, een veelzeggende vaststelling over het niveau van
haar tegenstanders overigens). Wat bedoelen we wel: Cat Power die
de minimale indie achter zich liet en, geruggensteund door de
muzikanten van Al Green, de kaart trok van imponerende countrysoul
en Coldcut die ons met
verstomming sloegen door 8 jaar na ‘Let us Play’ een volwassen
plaat op de wereld los te laten waar de klasse van afdruipt. We
zijn verheugd te mogen aankondigen dat de nieuwe plaat van het
Schotse popensemble Belle and Sebastian ook een stek in dit lijstje
verdient. Net als Z van My
Morning Jacket is ‘paradoxaal’ het meest geschikte woord om ‘The
Life Pursuit’ te omschrijven: de band uit Glasgow, op wie het
predikaat ‘loveband’ het best van toepassing is, heeft nog steeds
een herkenbare sound, maar in samenspraak met producer Tony Hoffer
zijn een aantal baxters bovengehaald die de sprankelende en
vertederende pop van de Glaswegians infuseren met dosissen funk,
elektronica en ja, zelfs disco. Deze kuur levert zonder meer de
meest swingende en dansbare B&S-plaat tot nu toe op.

Koerswijzigingen zijn nu niet bepaald gefundenes fressen voor
B&S, maar in het verleden schrok de groep er ook al niet voor
terug om hun geluid licht bij te sturen. Zo werd de dromerige
slaapkamerpop vol ravissante sixtiesmelodieën onder impuls van
Trevor Horn op ‘Dear Catastrophe Waitress’ van rijke, soms
overdadige arrangementen voorzien. Niets daarvan op ‘The Life
Pursuit’: op dit album domineren geen strijkers of blazers,
waardoor er meer funk doorschemert in de Northern Soul van het
popcollectief. Luister maar naar ‘Sukie in the Graveyard’ waar een
groovende bas vrolijk in het rond springt met een dartele
synthesizer en een klievende gitaarsolo. Ook bij ‘White Collar Boy’
zouden enkel een paar gescheurde kruisbanden ons verhinderen om een
danspasje te wagen op de smerige synths die wat aan LCD Soundsystem doen denken (nooit
gedacht dat we die band in een B&S-recensie zouden
vermelden).
Door die kalere arrangementen horen we op ‘The Life Pursuit’
opnieuw een echt groepsgeluid. Ook bij de klassiekere B&S-songs
werkt de muzikale terughoudendheid in hun voordeel: zo zijn de
zangpartijen van ‘Another Sunny Day’ instant-meefluitbaar en
contrasteren lichte percussie en een bloedmooie trompetpartij zalig
met parental advisory-lyrics in het fantastische ‘Dress Up
In You’.

Niet alles boeit op ‘The Life Pursuit’: ‘Song For Sunshine’ en ‘The
Blues Are Still Blue’ glijden na verschillende luisterbeurten nog
steeds onopgemerkt voorbij, hoezeer we ook probeerden. Twee songs
op cruise control wegen echter niet op tegen muzikale diamantjes
als ‘To Be Myself Completely’, waar gitarist Stevie Jackson de
vocals voor zijn rekening neemt in plaats van Stuart Murdoch, en
afsluiter ‘Mornington Crescent’. Een speciale vermelding verdient
het progrockexperiment van ‘Act Of The Apostle’, dat in twee delen
werd opgesplitst. Deel 1 is een met elektronica doorspekte popsong
met onwerelds mooie vocals die klinken alsof ze gezongen zijn door
een hogere levensvorm, zoveel pracht kan immers niet aards zijn
(een gedachte die ons bij Isobel
Campbell
ook te binnen schoot). Bij de eerste tonen van Deel 2
gaan we uit van de Jekyll and Hyde-hypothese tot een ijle
synthesizer ons langzaam maar zeker opnieuw naar het vertrekpunt
gidst. Wat bij The Kills
geforceerd overkwam met het in tweeën gehakte ‘I Hate The Way You
Love’, levert hier een prachtig staaltje van cyclische
songschrijverij op.

U zal het wel gemerkt hebben: wij zijn fan van deze Schotse
popsmeden en kunnen dat moeilijk onder stoelen of banken steken.
Geloof ons daarom vooral op ons woord: de geest van Johnny Marr en
Morrissey waart rond in de ziel
van deze band en dat levert opnieuw een popplaat op om duimen en
vingers bij af te likken. De afhakers hebben ongelijk!

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × vier =