The Dukes of Hazzard




Er was een tijd dat we nog voldoende respect hadden voor mentaal
gehandicapten om hen rustig bij familieleden of desnoods in een
tehuis te laten zitten, waar er goed voor hen gezorgd kon worden.
Tegenwoordig, echter, laten we ze zowel voor als achter een camera
plaatsnemen om films te maken als deze ‘Dukes of Hazzard’, een
afzichtelijk stukje cinematisch afval dat enkel het product kàn
zijn van geesten die er niet helemaal bij zijn. Ik kon mij niet van
het vermoeden ontdoen dat er momenteel ergens ter wereld een
reality show loopt waarin enkele mensen met het syndroom van Down
bij wijze van experiment zo’n 50 miljoen dollar krijgen om een film
te maken. Met dit als resultaat.

De trend om oude tv-programma’s terug te brengen als films (of daar
nu iemand op zat te wachten of niet), heeft zelden zo’n pijnlijk
resultaat opgeleverd als dit. Hoewel je natuurlijk wel moet
erkennen dat er een zekere logica achter het procédé schuilgaat:
een prent als ‘The Dukes of Hazzard’ wordt relatief goedkoop
geproduceerd en heeft een ingebakken publiek (de fans van het
originele programma). Het enige dat je moet doen is op voorhand
genoeg reclame maken en je bent al na je eerste week grotendeels
uit de kosten, enkel dankzij die fans die sowieso gaan kijken,
ongehinderd door recensies of slechte mond-aan-mond. Oké, na de
eerste twee weken zakt je film dan wel definitief uit de box
office
-lijsten weg, omdat zelfs de fans wel inzien dat het
onversneden crap is, maar tegen die tijd heb je je slag geslagen.
Je budget heb je terugverdiend, iedereen houdt er een cent aan over
en je kunt weer verder naar je volgende filmische verkrachting. Om
u een beter idee te geven: deze film koste 53 miljoen dollar om te
maken, en bracht in z’n openingsweekend (niet eens een week, maar
een weekend) 30 miljoen op, nog vóór de pers er deftig z’n tanden
in kon zetten. ‘The Dukes of Hazzard’ is een staaltje ijskoud
commerciëel Hollywood-cynisme, een productie waarbij niemand, maar
dan ook letterlijk niémand bezorgd was om de minste schijn van
kwaliteit – men heeft hier op voorhand simpelweg uitgedokterd hoe
men met de minste moeite de grootste som geld kon verdienen, en dat
plan hebben ze dan mathematisch in werking gezet.

Het verhaal (wat heet), draait rond Luke (Johnny Knoxville) en Bo
Duke (Seann William Scott, ook wel gekend als “de ergerlijkste mens
ter wereld”), twee neven en onafscheidelijke vrienden die in
Hazzard, een boerengat ergens in het zuiden, hun tijd doorbrengen
met het verkopen van de illegaal gestookte drank van hun oom Jesse
(Willie “wat doe ik hier in Godsnaam” Nelson) en het rondsjezen in
hun Dodge Charger, “General Lee”. De twee goedhartige wildebrassen
komen achter een snood plan van grootgrondbezitter Boss Hogg (Burt
Reynolds), om Hazzard County op te kopen en vervolgens helemaal
plat te leggen om plaats te maken voor een koolmijn. Als publiek
denk je: “doe gerust, dan komt er tenminste geen sequel”, maar Bo
en Luke kunnen dit natuurlijk niet over hun kant laten gaan en
samen met hun nicht Daisy (Jessica Simpson, God help ons) komen ze
in actie om Hazzard te redden.

Wat dan volgt, is een soortement actie-komedie die inspeelt op de
(schijnbaar typisch Amerikaanse) notie dat hersenloze destructie
inherent vermakelijk is. We krijgen crashende wagens, cafés die aan
gort worden geslaan, exploderende brandkasten enzovoort. Van
sommige van die pats-knal-boem-momenten kun je dan nog min of meer
beargumenteren dat ze deel uitmaken van het verhaal (voor zover dat
aanwezig is), maar veel ervan kan ook gewoon weggestopt worden in
het hokje “arbitraire vernielingen”, die enkel worden uitgevoerd om
het jonge volkje wakker te houden. Er gebeurt in feite maar bitter
weinig in ‘The Dukes of Hazzard’, maar het gebeurt allemaal zéér
luidruchtig. Op een bepaald moment kijk je op je horloge en merk je
op dat je al een uur naar deze onzin zit te kijken, terwijl er
feite nog maar een paar dingen zijn vastgesteld in de film. We
hebben: a) kennisgemaakt met de personages; b) vastgesteld dat Burt
Reynolds de slechte is die van Hazzard een koolmijn wil maken; c)
uitgedokterd dat de Dukes daar wel even een stokje voor zullen
steken. En dat is alles, dat is waar de film zich na een uur
bevindt, hoewel we in de tussentijd wel meer autoachtervolgingen en
gedoemde pogingen tot humor hebben moeten verdragen dan u voor
mogelijk houdt.

Dat gebrek aan plot en de overmatige nadruk op zinloze
actiesequensen zou eventueel nog vergeven kunnen worden als ‘The
Dukes of Hazzard’ enigszins grappig was, of als de actie goed in
beeld was gebracht. Maar dat kunt u dus ook al vergeten. De makers
van dit ding schijnen te denken dat irritante flauwekul op den duur
wel grappig wordt, als je het volume ervan maar luid genoeg zet. Ik
geloof, zonder overdrijven, dat een derde van de hele film
(minstens een derde) zich afspeelt terwijl de Duke-gebroeders
achter het stuur van General Lee zitten en op de vlucht zijn voor
de wet, waarbij ze dichterlijke invallen uitschreeuwen als daar
zijn: Woohoo, hot damn en yeah! Aangezien de
verantwoordelijken zelf ook wel weten dat dat op zich niet grappig
is, verplichten ze Johnny Knoxville en Seann William Scott om die
teksten steeds luider te declameren. Een flauwe grap is een flauwe
grap, maar EEN LUID UITGESCHREEUWDE FLAUWE GRAP IS ALTIJD
PLEZANT!

Wat de actie betreft, kunnen we kort zijn: regisseur Jay
Chandrasekhar kan niet filmen. Punt uit. De man zondigt continu
tegen één van de meest fundamentele wetten van de filmische
grammatica: de 180 graden-regel. Om ‘m heel eenvoudig uit te
leggen: als er iets zich afspeelt op een scherm, mag je in principe
in een boog van 180 graden rond die actie filmen. Je zet twee
mensen bijvoorbeeld op één imaginaire lijn terwijl ze tegen elkaar
praten en je gaat niet aan de andere kant van die lijn staan, omdat
je dan een rommelig effect creëert dat desoriënterend werkt voor je
publiek. Zoals dat het geval is met alle regels, kun je ook deze af
en toe wel eens breken, maar in een actiefilm is het natuurlijk
beter dat je dat niet doet, omdat het sowieso al moeilijk is om
snelle actie helder in beeld te brengen. Die 180 graden-regel is
één van de eerste dingen die ze je aanleren in een filmschool en
Chandrasekhar breekt die regel… keer… op keer… op keer… op
keer.

Op keer.

Ik zou nog een uitgebreide tirade kunnen beginnen tegen Seann
William Scott en Johnny Knoxville, allebei wandelende argumenten
voor vroegtijdige levenbeëindiging, of tegen Jessica Simpson, die
hier met haar kont en tieten komt schudden en vooral bewijst dat ze
geen enkel respect voelt voor de acteerkunst, maar het is gewoon de
moeite niet om me er nog verder druk in te maken. ‘The Dukes of
Hazzard’ is een doorzichtige marketingtruc om u van uw geld te
scheiden. Laat ze daar in Godsnaam niet in slagen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × vijf =