Sleater-Kinney :: The Woods

Vergeet hysterische wijven als Alanis Morissette en Meredith Brooks, en trek een streep onder wannabe’s Pink en godbetert Kelly Osbourne want Sleater-Kinney is terug. Tien jaar en zeven albums verder blijft het trio koppig vasthouden aan haar eigen stijl die alleen al vanwege de hysterische stemuithalen van Corin Tucker niet voor iedereen weggelegd is.

In die vrolijke jaren negentig, toen harde gitaren nog de boventoon voerden en jongeren vooral zo deprimerend mogelijk door hun sluike haar keken werden ongewassen t-shirts over flanellen hemden gedrapeerd en waren vrouwen tenminste nog vrouwen uit een stuk. Ze rookten als een schoorsteen, dronken als een oude Belg en vloekten als een ketter. Jaja, dat waren nog eens vrouwen. Al zagen ze ons niet staan, de trutten.

Tien jaar na de hoogtijdagen van de vrouwenrock, blijft er niet zo gek veel meer over van de hoop beloftevolle groepen die eindelijk zouden bewijzen dat vrouwen evenzeer weten te rocken als mannen. Een enkele muziekliefhebber herinnert zich misschien nog wel Babes In Toyland of kan L7’s "Pretend We’re Dead" meefluiten, maar zelfs iemand als Courtney Love staat tegenwoordig eerder bekend als de losgeslagen en bitchy weduwe van Kurt Cobain dan als de voormalige frontvrouw van Hole, waar ook Melissa Auf Der Mauer ooit nog de bas beroerde. Sleater Kinney overleefde het, enkele personeelswissels niet te na gesproken, echter allemaal en debuteert met haar zevende album op het naar hun normen grote label Subpop. Een teken aan de wand?

Dat The Woods het langverwachte doorbraakalbum voor Sleater-Kinney zal zijn is twijfelachtig, want daarvoor blijven de dames te sterk vasthouden aan hun eigen muziek- en vooral zangstijl. De bijwijlen hysterische uithalen van Corin Tucker vergen dan ook het nodige geduld van de luisteraar vooraleer ze hun pracht blootgeven. Tuckers aparte zang mag dan wel kenmerkend zijn voor de groep, het blijft de vraag in hoeverre een argeloze luisteraar zich hiermee zonder meer verzoenen kan. En dat zou evenwel zonde zijn, want The Woods is opnieuw een voldragen rockplaat geworden.

Het is meteen al prijs: de kleine parabel "The Fox" start met overstuurde gitaren, drums die door tien drummers bespeeld lijken te worden en Tucker die hysterischer dan ooit tevoren krijst en schreeuwt. Ook "Jumpers" heeft onmiddellijk de juiste toon te pakken met haar opzwepende ritme waarboven Tuckers stem zich plooit om slechts nu en dan een goed geplaatste uithaal toe te laten. Die dosering is iets minder aanwezig in het knappe "What’s Mine Is Yours" dat naar het einde toe volledig dreigt te ontsporen in een gitaarbrij vooraleer de teugels terug strak in de handen genomen worden en alles netjes terug in het gareel wordt gebracht.

"Modern Girl" barst van het vitriool maar klinkt ook verbazingwekkend rustig en beheerst. Terwijl "Entertain" dan weer veel nauwer aansluit bij het oudere werk dan we tot nog toe voorgeschoteld kregen. De invloed van Queens Of The Stone Age sluipt dan weer onmerkbaar binnen in "Rollercoaster". Ook het elf minuten durende "Let’s Call It Love" speelt leentjebuur bij jaren zeventig rockers. Afsluiter "Night Light" maakt alles terug goed: verdwaalde gitaren richten zich op dissonante drumgeluiden terwijl Tucker haar unieke stem onder controle houdt.

Electralane was de laatste tijd de enige "all female rock band" die ons nog enigszins wist te bekoren maar hun hoekige songs raakten nooit ten volle onder de huid. The Woods is een heel ander verhaal.Als we het in een zin zouden moeten samenvatten, dan als volgt: "Als het op rock aankomt, kunnen vrouwen hun mannetje staan." Sleater-Kinney heeft wat ons betreft met dit album alleen al meer betekend voor het hedendaagse feminisme dan het verzamelde werk van Germaine Greer. De trut.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

8 + 19 =