Flight of the Phoenix




Ook al opgemerkt hoe Hollywood de laatste jaren steeds meer
terugkeert naar haar verleden? Sinds ‘Gladiator’ is het historisch epos zowaar
opnieuw populair geworden, voor het eerst sinds de jaren zestig.
‘Lord of the Rings’ bracht fantasy
opnieuw onder de aandacht van een groot publiek, waar het niet meer
geweest was sinds George Lucas er een paar keer mee experimenteerde
in de jaren tachtig. En ook verhalen over individuele helden,
bonken van venten naar wie een mens al eens ongegeneerd met wijd
open mond van verbazing kan opkijken, zijn weer helemaal in. Het
bij ons goddank rechtstreeks op dvd geflikkerde ‘Ladder 49’, het
paardenavontuur ‘Hidalgo’. Noem maar
op. Zou het toch iets te maken hebben met de problemen in de VS dat
ze plots weer zo graag teruggrijpen naar wat vroeger werkte?

Nu krijgen we ‘Flight of the Phoenix’, een remake van een ouderwets
macho, “geef mij een schroevendraaier en een metalen plaat en ik
zal wel eens even een vliegtuig in elkaar boksen”-filmpje uit 1965.
En opnieuw is het de bedoeling dat u (nu ja, ù niet, want u bent
geen Amerikaan, maar dat het Amerikaanse publiek) met een
triomfantelijk gevoel buitenkomt. Zo’n gevoel van: “globaal
terrorisme of niet, eigenlijk rocken wij toch als de neten!”
‘Flight of the Phoenix’ profileert zich als een ode aan het
menselijk vernuft, maar wat ze daar eigenlijk mee bedoelen, vergis
u niet, is het Amerikaans vernuft. Al wie daar geen boodschap aan
heeft, ziet op z’n best een matig onderhoudend avontuur waar nu
niemand specifiek op zat te wachten en dat niemand zich achteraf
lang dreigt te herinneren.

Het verhaaltje laat zich snel vertellen: Dennis Quaid speelt Frank
Towns, een chagrijnige piloot die ergens in Mongolië een groep
Amerikaanse olieboorders moet gaan oppikken, wanneer blijkt dat hun
site niet rendabel is. Onder de passagiers bevinden zich de chef
van de olieboorders (Miranda Otto), de wezelachtige zakenman die de
boel heeft opgedoekt (Hugh Laurie) en een mysterieuze, scabreus
geblondeerde vreemdeling, Giovanni Ribisi. Ergens boven de
Gobiwoestijn komt het vliegtuig echter in een immense zandstorm
terecht en stort neer. De overlevenden hebben hooguit genoeg water
om het dertig dagen uit te houden en de kans dat ze op die tijd
gevonden zullen worden, is miniem. Dan komt de vreemdeling echter
met een voorstel: hij weet hoe hij van de restanten van het
gecrashte vliegtuig een éénmotorig toestel kan maken waarmee ze
naar de beschaving kunnen vliegen. De hele bende schiet gelijk in
Bob de Bouwer-mode en begint te knutselen alsof ze nog in het
tweede kleuterklasje zaten.

Er zitten leuke momentjes in ‘Flight of the Phoenix’, laat dat
duidelijk zijn: zo is de crash zelf bijzonder spectaculair in beeld
gebracht (Dennis Quaid die in dekking moet gaan om niet door de
rotor van z’n eigen vliegtuig tot hapklare brokken gekapt te worden
– cool!). Kort nadien zien we één van de gestrande passagiers ‘s
nachts de romp van het vliegtuig verlaten om te gaan plassen, wat
vreselijke gevolgen heeft. Wat deze scènes gemeen hebben, is een
soort van bite die de rest van de film pijnlijk mist – het
zijn scènes met weerhaakjes, die echt het gevaar van de situatie
tot leven weten te brengen en daardoor memorabel worden.

Voor het overige blijft dit evenwel een zouteloze bedoening, die
zich na ongeveer een half uur in een vertrouwd ritme nestelt en
daar vervolgens nooit meer uitkomt. De personages maken ruzie over
het water. Ze maken er ruzie over of ze al dan niet dat vliegtuig
moeten bouwen. Ze maken nog eens ruzie over het water. Ze beginnen
te bouwen. Ze maken nóg eens ruzie over het water. Dan – voor de
afwisseling – krijgen ze te maken met een boosaardige stam nomaden,
die schijnbaar niets beters te doen heeft dan gestrande
westerlingen aan mootjes te hakken. En eens ze dat achter de rug
hebben, maken ze nog maar eens ruzie over het water. Na een tijdje
krijg je echt zin om een flesje Evian naar het scherm te smijten en
te roepen: “Hier heb je water, en hou er nu over op!”

Dat is het belangrijkste probleem met ‘Flight of the Phoenix’: de
film heeft maar één punt te maken: die mannen zitten in de
woestijn, het is daar pokkewarm, ze hebben dorst, ze willen naar
huis. Dàt ze uiteindelijk thuis zullen geraken, staat natuurlijk al
vanaf het begin vast, dus is al de rest enkel opvulling tot het
zover is. En die opvulling is gewoon niet bijster boeiend, het is
steeds meer van hetzelfde.

Komt daar nog bij dat de personages huizenhoge clichés zijn – de
knorrige piloot met het peperkoeken hartje. De megalomane ingenieur
die weet dat hij de enige van het gezelschap is die niet gemist kan
worden, omdat hij als enige weet hoe dat vliegtuig in elkaar hoort
te steken. De harde tante (wiens rol in de originele film door een
man werd gespeeld en eigenlijk niet notenswaardig is aangepast om
een beetje vrouwelijker te worden). We krijgen zelfs een wijze
Arabier, gespeeld door Kevork Malikyan, die voor elke gelegenheid
wel een diepzinnig verhaal weet. U kent dat wel: dan gebeurt er
iets vreselijks, maar die Kevork blijft onder alle omstandigheden
ijzig kalm, gaat in lotushouding zitten en declameert: ‘Let me
tell you a story…’
Waarna er garanti een peilloos
diepzinnige monoloog uit z’n mond komt. Ik zat de hele tijd te
wachten tot hij zou beginnen vertellen dat alles ergens geschreven
staat.

‘Flight of the Phoenix’ is bij uitstek een film voor mensen die
zich niet graag teveel vragen stellen bij hun kijkvoer. Ik zat me
de hele tijd al te ergeren aan het feit dat de personages zonder
een spier te vertrekken bovenop dat vliegtuig klimmen, overdag, in
de blakke woestijnzon – dat metaal zou toch gloeiend heet moeten
zijn? Wat ongetwijfeld niet de correcte mentaliteit is waarmee je
dit soort cinema dient te bekijken, maar wat dan nog? Als een film
dan toch verlangt dat je je verstand op nul en je blik op oneindig
zet, dan mag er wel wat meer doodgewone fun tegenover staan
dan wat je hier krijgt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

twintig − 10 =