Calvaire





Met : Laurent Lucas, Jackie Berroyer, Philippe Nahon, Jean-Luc
Couchard e.a.

De horrorfilm is aan een revival toe in Belgenland: nadat
Lieven Debrauwer Vlaanderen verleden jaar de stuipen op het lijf
joeg met ‘Confituur’ (zelden zo
zitten daveren van de schrik in een cinema), wagen de Walen zowaar
een poging tot een volwaardige grand guignol huiverfilm.
‘Calvaire’, van debuterend regisseur Fabrice Du Welz, bevat
bestialiteit, anale verkrachtingen, diverse kleurrijke gewelddaden,
radicaal foute garderobekeuzes (onze mannelijke held in een
enkelrok: het is geen zicht) en, nog het ergste van allemaal, zelfs
een Jo Vally-achtige charmezanger. Enfin, u merkt: het is een op en
top Belgische film. De plot en de personages zijn volslagen
krankjorum, en het toontje van de film valt vaak moeilijk te
plaatsen (moeten we nu lachen of griezelen?), maar u zult deze
bizarre stijloefening alvast niet licht vergeten.

Laurent Lucas speelt Marc Stevens, een aalgladde charmezanger die
op een nacht in panne valt met z’n busje – hij bevindt zich
middenin een van God verlaten bos, het is donker, koud, het regent
en hij is z’n weg kwijt. Uiteindelijk komt hij terecht in de
herberg van Paul Bartel (Jackie Berroyer), een op het eerste zicht
vriendelijke, zij het ietwat vereenzaamde en excentrieke dorpeling.
Aanvankelijk biedt Bartel hem alle mogelijke hulp aan, inclusief
een gratis kijkje onder z’n motorkap, maar gaandeweg wordt
duidelijk dat zowel de herbergier als de andere inwoners van het
aangrenzende dorpje een steek los hebben zitten. Voor Marc begint
een ware lijdensweg.

‘Calvaire’ werd hier en daar vergeleken met klassiekers als ‘The
Texas Chainsaw Massacre’ en ‘Deliverance’, en inderdaad, af en toe
voel je die invloed wel. Niet alleen situeert Du Welz z’n film in
een donker, vochtig boslandschap waar je elk moment banjomuziek
verwacht te horen, niet alleen wordt een rist gesjeesde
boerenpummels als boosdoeners geïntroduceerd, maar ook en vooral
gebruikt de regisseur een structuur die zeer gelijkaardig is aan
die oudere films. Als je naar de originele ‘Chainsaw Massacre’
kijkt of naar ‘Deliverance’, dan merk je dat die films eigenlijk
ontzettend traag gingen. Het eerste uur lang gebeurde er nauwelijks
iets, maar wàt er niet gebeurde, verliep dan toch zeer sfeervol.
Tobe Hooper en John Boorman gebruikten die tijd om een
onheilspellende sfeer tot leven te roepen en voorafspiegelingen te
bieden van de gruwelen in de tweede helft. Du Welz probeert hier
hetzelfde te doen: ‘Calvaire’ sleept zich langzaam maar zeker op
gang, met eindeloze scènes die achteraf bekeken weinig nut dienen,
behalve dan de kijker in de juiste mood te brengen voor de finale
dertig minuten. Neem een scène waarin Bartel en Marc een
conversatie voeren over hun leven als “artiesten”: Bartel was
vroeger een humorist, zegt hij, tot z’n vrouw stierf en hij alles
wel zo’n beetje opgaf. Hij vertelt een mop van vroeger en verplicht
Marc vervolgens om, als tegenprestatie, een liedje te zingen. Dat
is een scène die meer dan vijf minuten aansleept, en wat voegt ze
uiteindelijk toe? Bwa, niet zoveel, maar het wordt wel op een
subtiele manier duidelijk dat er iets niet helemaal klopt met die
Bartel. Hij is vriendelijk, maar met een macaber randje eraan. Hij
glimlacht, maar het is de lach van iemand die met vreemde gedachten
in z’n kop rondloopt en enkel lacht omdat het een mechanisme is
geworden – wat moet je anders doen?

Zo’n langzame set-up is allemaal goed en wel, als die finale dan
maar knettert. En het is daar dat ‘Calvaire’ in de fout gaat:
telkens wanneer Du Welz een gruwelijke scène in beeld brengt, heeft
hij de neiging om het publiek te sparen, om net op het laatste
momentje weg te cutten. En dat mag je in dit soort film dus niet
doen – het publiek weet waarvoor het gekomen is, als je bang bent
voor bloed of verontrustende beelden, dan moet je hier maar niet
naar gaan kijken. Wàt er precies gebeurt, is goed gevonden en weet
af en toe een beklijvende sfeer tot leven te roepen, maar de
regisseur heeft uiteindelijk niet genoeg lef om het allemaal
frontaal in beeld te brengen. Je maakt een horrorfilm of je maakt
het niet, maar àls je het maakt, dan moet je ook maar de
cojones hebben om er een goeie van te maken.

Wat niet wil zeggen dat Du Welz helemaal niks interessants doet met
z’n camera – wel in tegendeel, de regisseur baadt z’n hele film in
vunzige gele en bruine kleuren. Spuuglelijk, maar het wérkt. En
tegen het einde weet hij zelfs enkele Brian De Palma-achtige shots
in te voegen – let eens op die rondtollende camera tijdens de
finale. Groovy! Ook het feit dat er nauwelijks muziek in de
film zit, draagt bij aan de beklemmende sfeer. Wanneer er dan toch
eens een paar noten uit de boxen klinken, zult u het meteen geweten
hebben ook. De dansscène in een plaatselijke café is een moment dat
nu al klassiek is geworden.

‘Calvaire’ is het soort film dat ervoor gemaakt is om over de loop
der jaren een cultpubliek te krijgen. Er zullen ongetwijfeld mensen
zijn die dit keer op keer gaan bekijken, wellicht nog het vaakst
wanneer de dvd uitkomt, en dan lang na middernacht, met voldoende
alcohol erbij om het allemaal nog grappiger te maken. Om écht
effectief te zijn als bioscoopfilm, mist de prent echter punch in
z’n eindscènes en gebeurt er te weinig tijdens het eerste uur.
Niettemin: je moét wel respect opbrengen voor iemand die het
aandurft om een klassiek genre op z’n eigen manier in te vullen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × drie =