Patrick Wolf :: Wind in the Wires

Toen hij nog school liep, was Patrick Wolf allerminst een
haantje-de-voorste. Hij was veeleer de voetveeg die elke middag de
inhoud van zijn broodtrommel uit de vuilnisbak mocht vissen,
tijdens gymlessen ruwweg over de bok werd getild en wiens boekentas
door medeleerlingen dagelijks werd gebruikt als draagbaar urinoir.
De trauma’s die onze vriend eraan overhield werden breed
uitgesmeerd op zijn debuutplaat ‘Lycantropy’, maar het was niet
alleen omwille van de teksten over afgehakte penissen enzovoort dat
sommige mensen Wolfs eersteling ‘erover’ vonden. Patrick Wolf, een
man die met ontelbare instrumenten uit de voeten kan, stopte vaak
zoveel ideeën in één song dat het voor de luisteraar vaak
onbegonnen werk was de hele plaat uit te zitten zonder er een
indigestie aan over te houden. Mensen die er wel mee konden leven
noemden hem daarentegen de nieuwe Beck.

Anno 2005 heeft Wolf heel wat bijgeleerd. ‘Lycantropy’ lokte erg
uiteenlopende reacties uit, maar in tegenstelling tot wat je kon
verwachten, bleven vooral de enthousiaste stemmen hangen bij Wolf.
Die leerde niet alleen zichzelf te aanvaarden, maar ook als
componist leerde hij zijn songs (en de luisteraars) meer ademruimte
te geven. Geen liedjes meer die zevenendertig kanten tegelijk
willen oplopen, maar knap gestructureerde, rijke, gelaagde nummers.
We hebben tijdens het beluisteren van ‘Wind in the Wires’ zelfs
niet één keer aan Beck gedacht.

Engeland heeft een erg rijke traditie van getormenteerde, zich in
zelfbeklag wentelende artiesten. Het jongste twijgje aan de
treurwilg is Patrick Wolf. Eén van de oudste loten aan de stamboom
is ongetwijfeld Scott Walker, een Amerikaan nota bene, die ook al
als rolmodel fungeerde voor lieden als Marc Almond, Jarvis Cocker
van Pulp, Neil Hannon van The Divine
Comedy
en nu dus ook voor Patrick Wolf. Vooral op momenten
waarop Wolf zijn songs ontvouwt als was het de veelkleurige staart
van een pauw, is de oppercrooner nooit ver uit de buurt. Maar
tezelfdertijd denken we even vaak aan iets ‘jonger’ volk, zoals de
tegenwoordig weer onvermijdelijke Morrissey, Ian McCullough van Echo &
the Bunnymen en de Julian Cope
uit de jaren ’80 (Beide heren zouden me op mijn smoel kloppen,
moesten ze te horen krijgen dat ik hen in één adem vernoem). Dat
Wolf niet vies is van elektronische elementen in zijn muziek wisten
we al van ‘Lycantropy’, op zijn tweede plaat helt de balans toch
meer over naar het organische instrumentarium.

Het lijstje instrumenten dat Wolf op deze cd bespeelt, is
indrukwekkend: strijkers en piano’s in alle maten en gewichten,
orgels, synthesizers, accordeons, samplers, gitaren bas, drums,
ukelele, … Alleen voor de klarinet op het titelnummer werd iemand
ingehuurd, voor het vrouwenkoortje op ‘Teignmouth’ doet hij een
beroep op zijn zus. (Geeft meteen een idee van hoe een en ander had
geklonken indien dat van die castratie geen fabeltje was
geweest…)

Eén van de thema’s op ‘Lycantropy’ was de hoop ooit te kunnen
vertrekken uit de grootstad om zich te vestigen op het platteland.
Dit is alvast één droom die werkelijkheid is geworden voor Wolf:
hij ruilde intussen Londen voor Cornwall, een (ver)plaats(ing) die
hem overduidelijk inspireerde bij het neerpennen van zijn teksten.
Hij bezingt niet alleen zijn nieuwe leventje in de West Country,
zijn verhuis is tevens een allegorie voor de metamorfose die hij al
mens onderging: van eeuwige pispaal tot zelfzekere, zelfbewuste
muzikant.
Dat hij zich bevrijd weet, wordt al duidelijk in openingsnummer
‘The Libertine’. Meteen worden ook alle registers van Wolfs
vakmanschap opengetrokken: we horen hier zowaar een 21ste eeuwse
versie van The Walker Brothers, met aanzwellende strijkers,
gesteund op een fond van elektronica en de larger than life
vocals van Wolf. Gelukkig gaat het er niet in alle twaalf nummers
even episch en gezwollen aan toe. De ‘buik’ van de plaat herbergt
een reeks conventionelere songs. Het klinkt een beetje
tegenstrijdig, maar het zijn uitgerekend deze liedjes die ‘Wind in
the Wires’ beter verteerbaar maken dan zijn voorganger.

Waar Wolfs muzikale odyssee zal eindigen, dat kunnen zelfs de best
uitgeruste weerstations nog niet voorspellen. Misschien neemt hij
ooit een plaat op die alle andere popmuziek overbodig maakt, maar
voor hetzelfde geld wordt het een gigantische sof en is hij
voorgoed de risee. Voorlopig zit hij echter perfect op koers,
richting meesterwerk.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negen − 9 =