André Franquin (1924-1997), de tovenaar uit Etterbeek, heeft al bij al een beperkt oeuvre bij elkaar geschreven en getekend, maar de figuren die hij creëerde (de marsupilami, Guust Flater) behoren tot de Belgische en Franse stripgeschiedenis, uiteraard mede dankzij de uitgeverij Dupuis die hem de nodige kansen gaf. Zijn eerste echte professionele stappen zette Franquin evenwel bij de Belgische tekenfilmstudio CBA waar hij Morris (Lucky Luke) en Peyo (De Smurfen) leerde kennen.
Toen CBA op beschuldiging van collaboratie sloot, vonden de drie tekenaars onderdak bij Dupuis, waar Franquin zijn eerste successen zal kennen met de strip Robbedoes en Kwabbernoot (Spirou et Fantasio). Hoewel zijn naam hiermee voor altijd verbonden zal zijn, was Franquin pas de derde auteur die zijn naam aan de reeks verbond. Spirou ontstond in 1938 op vraag van uitgever Jean Dupuis voor het gelijknamige nieuwe weekblad Spirou en werd aanvankelijk getekend door Rob-Vel (Robert Velter), met behulp van de in 1939 overleden Luc Lafnet, op basis van scenario’s van Velters echtgenote Blanche Dumoulin. Robbedoes/Spirou was overigens gebaseerd op een personage dat al eerder in reclameaffiches opdook.
In 1940 neemt Jijé (Joseph Gillain) een jaar de fakkel over nadat Velter door de nazi’s gearresteerd is. Wanneer het tijdschrift Spirou in 1943 verboden wordt, verkoopt Velter de rechten ervan aan Dupuis en neemt Jijé opnieuw de fakkel over terwijl het magazine clandestien verschijnt. In 1944 maakt Fantasio/Kwabbernoot zijn debuut en werd de eerste blauwdruk voor de reeks vastgelegd. Jijé houdt het er in 1946 evenwel voor bekeken en geeft de fakkel door aan Franquin. Die zal de volgende 21 jaar zijn stempel drukken op Robbedoes en Kwabbernoot en tal van figuren bedenken die intussen deel uitmaken van de vaste rits personages, met als bekendste en populairste ongetwijfeld de marsupilami (1952).
De jaren die erop volgden waren duidelijk een creatieve periode voor Franquin, die in 1958 de reeks Modeste et Pompon (Ton en Tinneke) opstartte en publiceerde in het weekblad Kuifje (na een ruzie met Dupuis) en twee jaar later Gaston (Guust Flater). Franquin blijft in de decennia erna productief als scenarist en tekenaar en weet uitgever Dupuis ervan te overtuigen een nieuw (gratis) weekblad te lanceren: Le Trombone Illustré, dat als een piratenblad omschreven werd en aansluiting zocht bij de meer gewaagde nieuwe Franse stripbladen zoals Métal Hurlant, L’Écho des Savanes, Fluide Glacial, … Hoewel Le Trombone Illustré een kort leven beschoren is (maart tot oktober 1977), publiceert het blad wel de eerste platen van Idées Noires (Zwartkijken), waar Franquin zich uit het keurslijf van zijn andere strips weet te worstelen en zwarte(re) humor kan brengen.
Wanneer Le Trombone Illustré ermee ophoudt, publiceert Fluide Glacial niet alleen de al eerder verschenen platen van Zwartkijken, maar geeft ze Franquin ook de kans de reeks verder te zetten. Een eerste bundeling van Zwartkijken, dat doorliep tot 1983, verschijnt in twee delen (1981 en 1984) waarna in de jaren erna integrale edities verschijnen. Na in 1975 een hartaanval overleefd te hebben, belandt Franquin kort na de laatste Zwartkijken in wat nu een burn-out heet. Een populaire theorie is dat deze burn-out het gevolg was van voornoemde reeks en het feit dat Franquin in deze tekeningen nog minutieuzer te werk ging dan bij zijn andere strips. Hier gebruikte hij namelijk voor de eerste maal de Rotring rapidograph, op aanraden van Frédéric Jannin.
De Rotring pen gaf hem de kans om met fijnere lijnen te tekenen en hoewel het oogpunt was dat dit zijn werk net zou versnellen en vergemakkelijken, zorgde het paradoxaal genoeg voor dat hij nog meer werk in de afwerking van zijn tekeningen stak. Hierdoor is Zwartkijken visueel een indrukwekkend proeve van Franquins talent als tekenaar. Hoewel hij ook in Zwartkijken voor zijn kenmerkende stripstijl kiest, is de manier waarop hij hier alles vormgeeft zonder meer indrukwekkend. Doordat hij bovendien geen kleuren toelaat, bepaalt niet alleen zijn keuze voor zwart of wit, maar ook de schakeringen en schaduwen in belangrijke mate de impact van een gag. De ene keer laat Franquin daarbij veel witruimte, terwijl in andere nauwelijks witte lijnen te vinden zijn.
Franquin heeft altijd de beweringen dat Zwartkijken op welke manier ook hem naar zijn depressie leidde van de hand gewezen. Zelf wees hij er geregeld op dat de tekeningen net humoristisch bedoeld zijn, ook al zijn ze vaak zwartgallig van aard. Verbazingwekkend is dat niet, want Franquins werk bevatte altijd al een subtiele vorm van galgenhumor. Het verschil ligt vooral in het feit dat hij in Zwartkijken dat element net naar de voorgrond kan brengen. Franquin weet daarbij zelfs de meest zwaarmoedige thema’s, of ze nu maatschappelijk of persoonlijk van aard zijn, steevast met een kwinkslag te brengen, waardoor zelfs de gruwelijkste en bloedigste onder hen niet aan ernst ten onder gaan. Zwartkijken had en heeft dan ook altijd de bedoeling gehad de lezer op zijn minst een glimlach te ontlokken.
Franquin beseft immers als geen ander dat maatschappijkritiek, pessimisme of zelfs existentiële angsten vooralsnog het best tegemoet getreden worden met zelfrelativering en spot, waardoor telkens wanneer de personages het onderspit delven de lezer niet opgezadeld wordt met een gevoel van kommer en kwel. Bovendien hebben zijn grappen iets tijdloos, zelfs wanneer ze duidelijk hun oorsprong vinden in een maatschappelijke crisis ten tijde van het verschijnen. De universaliteit van Zwartkijken wordt nog versterkt doordat Franquin weinig tijdgebonden objecten in zijn verhaal brengt, en als ze al een rol spelen, kiest voor deze die sowieso in het collectief geheugen zitten en herkenbaar blijven.
Gelijktijdig met de nieuwe druk van Zwartkijken verschijnt ook Zwartkijken De oorsprong. Het lijvige werk bevat niet alleen een uitgebreid interview met Franquin, waarbij Zwartkijken centraal staat, maar biedt ook een ruime inkijk in schetsen, ideeën en scenario’s waarbij vaak de finale versie geheel of gedeeltelijk ernaast geplaatst wordt. Uiteraard is dit in de eerste plaats een werk voor de verzamelaar, maar eenieder die een interesse heeft in hoe een gag of tekening ontstaat, alsook wie graag iets meer leert over de ontstaansgeschiedenis van Zwartkijken zal hier enkele interessante zaken oppikken. Bovendien is het een mooi, aanvullend testament op Franquins werk.
Zwartkijken vormt zowel het buitenbeentje als het centrum van Franquins werk. In deze reeks weet hij als geen ander zijn talent als tekenaar en scenarist, al dan niet in samenwerking met anderen, tentoon te spreiden waarbij hij zijn gevoel voor humor, niet gehinderd door restricties kan tonen. Ook ruim veertig jaar na zijn eerste verschijnen, blijft Zwartkijken een klassieker binnen het stripgenre.



