Exils




Tony Gatlif, de Algerijnse regisseur van werkjes als ‘Gadjo Dilo’
en ‘Vengo’ – films die u natuurlijk allemaal gezien hebt, dat
spreekt voor zich – mocht dit jaar op Cannes de Palm voor beste
regie ontvangen uit handen van juryvoorzitter Quentin Tarantino.
Meteen een leuke publiciteitsboost voor zijn nieuwste prent
‘Exils’, want God weet dat dit niet bepaald het soort cinema is
waar de meute voor dreigt storm te lopen. ‘Exils’ is een relatief
ontoegankelijke, geheel eigenzinnige film die lak heeft aan een
traditionele verhaalstructuur en waarvan we de betekenis moeten
afleiden uit kleine momentjes tussen de personages. Kortom: het is
een film waar we als een publiek een inspanning voor moeten doen.
Wat gaan ze nog allemaal van ons verwachten?

Zano (Romain Duris) en Naima (Lubna Azabal) zijn twee twintigers
die samen in een luizig flatje in Parijs wonen. Hij is een violist
die na de dood van zijn ouders in een auto-ongeluk, de muziek
voorgoed heeft opgegeven. Zij is van Berberse afkomst, maar heeft
al sinds jaar en dag gebroken met haar familie – ze spreekt geen
Arabisch, is niet gelovig en voelt zich absoluut niet verbonden met
de cultuur waaruit ze afkomstig is. Dan, op een dag, stelt Zano
haar simpelweg voor: ‘Als we nu eens naar Algerije gaan?’ Liftend,
zwart rijdend op treinen en vaak ook gewoon lopend begeven de twee
zich richting Algerije, waar Zano zijn roots heeft. Onderweg,
tijdens tussenstops in Spanje en Marokko, leren ze andere mensen en
vooral elkaar kennen.

De structuur van de road movie wordt wel vaker op een
metaforische manier gebruikt, en hier is het weer van dattum: Zano
en Naimi zijn duidelijk al bannelingen vanaf het begin, nog voor ze
op weg gaan. Ze leven afgescheiden van hun familie, hun thuisland,
hun religie, hun cultuur. Ze hebben niets om zich aan vast te
houden in het leven, behalve – misschien – elkaar. Hun reis naar
Algerije is dan ook duidelijk een zoektocht naar een zekere
identiteit, naar een doel, een duidelijke structuur in hun leven.
De vraag blijft echter of ze dat ooit wel zullen vinden, zeker
aangezien ze beiden ook de nodige demonen uit het verleden met zich
meedragen. Zano de dood zijn ouders, Naima bepaalde andere
gebeurtenissen uit haar kindertijd.

Doorgaans zou dit soort van verhaal – twee vreemdelingen die samen
zonder geld op reis zijn naar een verre bestemming – aanleiding
geven tot een zwaarwichtig sociaal drama, liefst dan nog gedraaid
op digitale camera in een cinéma vérité-stijl. Zo’n film waarin de
miserie van de muren druipt, u kent dat wel. Maar wat ‘Exils’ zo’n
interessante prent maakt, is dat Gatlif een radicaal andere
richting uitgaat – hij is, zo blijkt, één van de laatste culturele
optimisten ter wereld, iemand die gelooft in de fundamentele
goedheid van de mens. De personen die Zano en Naima tegenkomen
tijdens hun reis, zijn mensen van goede wil, die niet liever willen
dan hen helpen. In Sevilla ontmoeten ze een Algerijnse vrouw die
hen het adres van haar familie meegeeft, zodat ze bij aankomst
meteen onderdak hebben. Wanneer ze later in Marokko aankomen,
vinden ze meteen iemand die hen wil helpen om de grens over te
steken – ook al plakt daar dan wel een prijsje op. Zano en Naima
worden niét uitgebuit, niét bestolen, niét bedrogen – al die voor
de hand liggende wendingen die in een zwaarwichtig sociaal drama
niet zouden mogen ontbreken.

Je zou dat naïef kunnen noemen, en zeggen dat twee arme luizen als
deze personages in de realiteit allicht niet veel verder zouden
geraken dat de eerste banlieu van Parijs. Maar Gatlif wil dan ook
geen strikt realistisch drama maken, dat hebben anderen al gedaan.
Wat hij wel wil doen, is zijn personages doorgronden, door op zoek
te gaan naar die dingen die hun identiteit bepalen. Wat is het,
waardoor we zijn wat we zijn? Onze nationaliteit? De cultuur waarin
we opgroeien, ons geloof, onze opvoeding? En om die vragen te
kunnen onderzoeken, laat Gatlif de deprimerende rampscenario’s
simpelweg voor wat ze zijn.

Die optimistische toon van de film laat overigens ruimte voor een
aantal prachtige scènes, waarin we de personages simpelweg kunnen
gadeslaan tijdens schijnbaar spontane momenten van speelse
impulsiviteit. Naimi die op een voetbalveldje een potje
schaduwvoetbal speelt met zichzelf, bijvoorbeeld. Is die scène
ergens voor nodig? Nee, maar ze toont wel dat personage op een
moment dat ze alleen is met zichzelf en gelukkig is. Die scène
geeft de indruk geheel geïmproviseerd te zijn, we zien een vrouw
die zich absoluut niet bewust is van zichzelf en heel even uit de
bol gaat. En dat is geweldig mooi om naar te kijken. Bijna zo mooi
als bepaalde surrealistische momentjes die Gatlif zichzelf
permitteert – Zano loopt in Sevilla over een plein dat bezaaid ligt
met lege flessen en glazen. Terwijl hij het plein overloopt, schopt
hij het glas uit z’n weg en het resulterende gerinkel klinkt niet
als een kakofonie van klinkend glas – het klinkt als muziek. Op dat
moment overstijgt de film zichzelf even en wat we dan zien is pure
cinema.

Ook visueel weet Gatlif heel wat mooie dingen te bereiken:
anderhalf uur lang speelt hij op een zeer doelbewuste manier met
dieptewerking in zijn kadreringen. Hij plaatst een object of een
persoon op de voorgrond, en laat dan op de midden- en achtergrond
de voornaamste actie plaatsvinden. Op die manier krijgt je een mooi
spanningsveld tussen dat element vooraan, dat niet beweegt, en de
actie achteraan. Het gebeurt niet zo dikwijls dat een regisseur
ervoor kiest om die stijl consequent door te voeren, maar het
levert op z’n minst een interessant resultaat op.

Dat alles neemt niet weg dat de film aan een zeer rustig tempo
voorbijglijdt – zoals gezegd, een echte plot is er niet, dus we
moeten ons tevreden stellen met vaak weinig wereldschokkende
gebeurtenissen én met regelmatig lange muzikale intermezzo’s. Bij
elke tussenstop van Zano en Naimi krijgen we wel een segment van
minstens vijf minuten waarin de plaatselijke bevolking zingt en
danst. Die stukjes kunnen uw geduld misschien op de proef stellen,
maar ze dienen wel degelijk een nut: de climax van de film is
immers een tien minuten durende, in één lange camerabeweging
opgenomen dansscène, waarin onze twee protagonisten zichzelf
helemaal verliezen in een wilde dans op hypnotiserende muziek. Ze
gaan letterlijk in trance en ondergaan daarmee een hardhandige
loutering. Nadat ze weer wakker worden, zo wordt gesuggereerd,
zullen ze gereinigd zijn, klaar om opnieuw te beginnen en hun
identiteit in te vullen. Die scène bevat tien minuten ononderbroken
muziek die aan een hysterisch tempo voortknalt en is chaotisch
georkestreerd. Om die kunnen verwerken, waren de muziekscènes
eerder in de film écht nodig – die zorgde er immers voor dat we
geconditioneerd waren om met die muziek om te gaan.

‘Exils’ zal ongetwijfeld zware kost zijn voor de gemiddelde
cinemaganger, maar er vallen bijzonder veel interessante dingen in
terug te vinden – een rijke thematiek, enkele magnifieke scènes en
een prima doorwrochten mise-en-scène. Eentje voor de happy
few
, dus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 + elf =