Rebecca

Een immens oud landhuis, diepe schaduwen, een onheilspellende
bediende en het schilderij van een dode vrouw des huizes tegen de
muur – Daphne Du Maurier, de schrijfster van de roman ‘Rebecca’,
was niet vies van een cliché af en toe. Haar gothic horror
vertellingen zouden later nog bekende verfilmingen krijgen met
bijvoorbeeld Hitchcocks ‘The Birds’ en Nicolas
Roegs ‘Don’t Look Now’, maar ‘Rebecca’ zal wellicht altijd het werk
blijven waarvoor ze het meest herinnerd wordt. De filmadaptatie was
Hitchcocks eerste prent in de Verenigde Staten en filmadepten
overal ter wereld zijn er nog steeds niet uit of dit nu een
Hitchcockfilm dan wel een Selznickfilm is – David O’Selznick, één
van de grote producenten uit het oude studiosysteem, kwam net van
een triomf met ‘Gone
With The Wind’
, en hij ging die corpulente Brit niet méér
autonomie geven dan strikt noodzakelijk. Hitchcock was razend
omwille van zijn bemoeienissen en onteigende ‘Rebecca’ achteraf als
een gecompromitteerde film. Maar de prent kreeg wel elf
Oscarnominaties, won voor beste film, en wordt nu beschouwd als één
van zijn beste.

Joan Fontaine speelt onze naamloze heldin, die als gezelschapsdame
voor een irritante kwekmadam mee op reis gaat naar Monte Carlo.
Daar maakt ze kennis met de knappe, steenrijke edelman Maxim de
Winter, en het is liefde op het eerste gezicht: zijn stiff upper
lip ontdooit een beetje, haar ogen gaan troebel staan. In een film
uit 1940 wordt het niet veel suggestiever dan dat, maar we merken
wel wat er gaande is. De Winter besluit stante pede om met het
onschuldige meisje te trouwen, en de twee nemen hun intrek in de
Winters landgoed, Manderley.

Daar, in dat enorme kasteel waar achter elke deur wel een gekke
wetenschapper zou kunnen zitten die “It’s alive!” gilt,
wordt de nieuwe Mrs. de Winter echter geconfronteerd met haar
voorgangster, Rebecca, die enkele jaren eerder omkwam bij een
zeilongeluk. De geest van Rebecca waart nog overal rond in de grote
zalen en gangen van Manderley – alles dat onze heldin doet, wordt
afgewogen tegenover de manier waarop Rebecca het vroeger deed. Haar
hele leven staat plots in de schaduw van een dode, met wie ze zich
nooit zal kunnen meten. Vooral de angstaanjagende huisvrouw Mrs.
Danvers, een glaciale dame die eruit ziet alsof ze handige tips
voor de bereiding van vers babyvlees zou kunnen geven, maakt de
kersverse bruid moedwillig het leven zuur: “You thought you
could be Mrs. de Winter, live in her house, walk in her steps, take
the things that were hers! But she’s too strong for you. You can’t
fight her – no one ever got the better of her. Never, never.”

Ik weet niet hoe het met u zit, maar dat soort van bediende zou van
mij haar ontslag krijgen, denkt u niet?

Het verhaal van ‘Rebecca’ is in essentie een romantisch
pulpthrillertje, volgestouwd met elementen waar zelfs befaamd
gothic schrijfster Anne Radcliffe haar hand niet voor zou hebben
omgedraaid: krakende trappen, loslopende spoken (letterlijk of
figuurlijk), smerige familiegeheimen, moord en verraad. Het mooiste
voorbeeld daarvan is wel de figuur van Mrs. Danvers zelf, één van
de meest onvergetelijke slechteriken uit de filmgeschiedenis: haar
haar opgestoken tot het zo strak staat dat het bijna ontploft,
steeds een lijkbiddersgezicht, een lijzig toontje in haar stem (ze
declameert àl haar dialogen alsof ze wilt zeggen: “Be afraid,
be very afraid!”
), en dan ook nog eens haar eigenaardige
gewoonte om ‘s nachts door de duistere gangen te schreiden met
enkel een kaars in haar hand als verlichting. Als ze een plakkaatje
had gedragen met de woorden: “Ik deug voor geen meter”, had het
niet duidelijker kunnen zijn dat ze voor geen meter deugt. Is dit
een geloofwaardig personage? Natuurlijk niet – maar Hitchcock heeft
als regisseur wel voldoende gevoel voor humor om dit soort van
pompeuze situaties toch recht te trekken. Hij geeft ons een knipoog
dat het allemaal niet ernstig bedoeld is, en dat combineert hij dan
met filmmakerij van de bovenste plank.

‘Rebecca’ opent met een spookachtige travelling doorheen het domein
Manderley, tot we uiteindelijk het kasteel zelf zien. De bekende
openingstekst ‘Last night, I dreamt I went to Manderley
again,’
introduceert ons aan de setting nog voor we weten wie
er aan het spreken is. En zo blijft het ook – we komen nooit de
echte naam van de tweede Mrs. de Winter te weten omdat die
irrelevant is. De Winter is niet hoofdpersonage, Manderley is dat.
Dat landgoed dat daar al jaar en dag even onverschillig staat en
een symbool wordt voor alle problemen die de hoofdpersonages
ondergaan. Die openingsscène, waarin Manderley voor het eerst
getoond wordt, heeft een dromerige kwaliteit – het beeld is net
niet helemaal in focus, de camerabewegingen zijn zo zweverig als ze
in die tijd gemaakt konden worden. Het lijkt wel alsof Hitchcock
ons met die eerste scène in een soort van hypnose wilt brengen,
alsof hij ons figuurijk een droomwereld binnenleidt, waarin alles
mogelijk is. En die belofte van vreemde, surrealistische
gebeurtenissen wordt ook gehouden tijdens de rest van de
film.

Zo wordt het bestaan van geesten in deze film opvallend ernstig
genomen – natuurlijk bestaan er spoken, maar dan niet van de
variant met witte lankens en kettingen. Een spook is enkel een
herinnering die je wilt kwijtraken zonder dat het lukt. Iedereen
heeft spoken, en die zijn angstaanjagender dan eender welke variant
in een Stephen Kingverhaal. We krijgen personages zoals een mentaal
gehandicapt hulpje dat op een ronduit waanzinnige manier uit z’n
ogen kijkt, en natuurlijk de onontkoombare Mrs. Danvers, die de
hele film domineert en in één memorabele scène de nieuwe Mrs. de
Winter zelfs zover wil krijgen uit een raam te springen. Mist
doortrekt het landgoed en zowat alle personages lijken méér te
weten over het verleden dan de heldin. De sfeer van ‘Rebecca’ zit
vanaf begin tot eind helemaal goed – om dit soort van verhaal te
vertellen, is er een zeer delicate balanceeract vereist om te
vermijden dat het simpelweg lachwekkend wordt. Hitchcock weet dat
evenwicht te vinden, door z’n film te beginnen met humor (de eerste
twintig minuten, in Monte Carlo, zijn in feite louter komisch) en
dan daarna de toon langzaam maar zeker meer in de richting van het
melodrama te verleggen. Die veranderingen in toon en tempo komen er
zo geleidelijk dat het publiek zich simpelweg in de luren laat
leggen – aan het einde zijn we naar een levensgrote soap opera met
de overtonen van een thriller aan het kijken, maar we stellen er
ons geen vragen bij, omdat het zo goed gestructureerd is.

Mrs. Danvers is essentieel voor het succes van de film – zij is het
personage dat mensen zich herinneren en ze wordt met een
ongelooflijk precisie gespeeld door Judith Anderson. Haar rol zou
later nog talloze malen geïmiteerd worden en fans van ‘Rebecca’
voeren nog steeds discussies over de vraag of Hitchcock hier een
lesbische fascinatie van Mrs. Danvers voor Rebecca wilde
insinueren. Voelde Danvers zich inderdaad aangetrokken tot Rebecca
en voelt ze daarom zoveel antipathie voor de nieuwe dame van het
huis? Het klinkt aannemelijk, hoewel het in een film uit die tijd
natuurlijk moeilijk te zeggen is.

‘Rebecca’ is een film die zich verheft boven z’n bronmateriaal –
een pulpromannetje van dertien in een dozijn, waar toch zoveel
sfeer en zelfrelativerende humor in wordt gestoken, dat de prent
veel meer wordt dan dat. Faut le faire.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

9 − zeven =