Cat on a Hot Tin Roof




108 min. USA / 1958

Robuuste mannen staan met het zweet op hun voorhoofd hun
homoseksuele neigingen te onderdrukken, een glas whisky schijnbaar
permanent in hun hand vastgelijmd. Ondertussen lopen vrouwen met
indrukwekkende décolletés en een deep down South-accent te
jammeren over hun mislukte huwelijksleven. Geheimen en leugens,
frustraties en familieschandalen: verdomd als dat geen toneelstuk
van Tennessee Williams is. De Amerikaanse schrijver maakte tijdens
de jaren veertig en vijftig furore met stukken als ‘A Streetcar
Named Desire’, ‘The Glass Menagerie’ en deze ‘Cat on a Hot Tin
Roof’ – producties die telkens opnieuw thema’s aansneden die
extreem gewaagd waren voor die tijd, inclusief homoseksualiteit,
waanzin en alcoholisme. Onderwerpen waarvan het bestaan in die
periode zelfs nauwelijks erkend werd, laat staan dat je ze op het
toneel mocht brengen. Gedeeltelijk door hun sensatiewaarde, maar
vooral ook door hun dramatische kracht en sterke dialogen, vonden
de stukken echter hun weg naar het grote publiek, en zelfs het
collectieve bewustzijn. ‘A Streetcar Named Desire’ zal wellicht
altijd zijn bekendste werk blijven, niet in het minst door de
verfilming met Marlon Brando, maar ‘Cat on a Hot Tin Roof’ is een
meer dan overtuigende nummer twee.

Het verhaal draait rond Brick (de jonge Paul Newman), een
ex-atleet die getrouwd is met de mooie Maggie (Elizabeth Taylor),
maar die sinds de dood van zijn beste vriend Skipper in een diepe
depressie is verzeild geraakt. Hij zuipt als een Zwitser en wijst
alle avances van zijn echtgenote af. Op de 65ste
verjaardag van zijn vader, Big Daddy (Burl Ives), gaan hij en
Maggie op bezoek in het enorme landhuis nabij New Orleans waar
Brick opgroeide. Niet alleen komen daar alle frustraties tussen hen
tweeën nog eens boven, maar het wordt ook duidelijk dat Big Daddy
aan terminale kanker lijdt en niet veel tijd meer heeft. Alsof dat
allemaal nog niet genoeg was, is er ook nog Bricks oudere broer
Gooper (Jack Carson). Die is mentaal zijn erfenis al aan het
uittellen en speelt zijn opdringerige vrouw Mae (Madeleine
Sherwood) plus zijn irritante roedel kinderen uit om in de gunst
van Big Daddy te komen.

Dat soort van familieintriges zijn tijdens het voorbije
decennium dagelijke kost geworden in drama’s én komedies van elk
denkbaar allooi, maar anno 1958 werd het beschouwd als behoorlijk
zware kost. Zo zwaar zelfs, dat een belangrijke plotlijn van het
toneelstuk moest worden aangepast. In het originele script werd
immers expliciet gezegd dat Brick een homoseksuele relatie had met
Skipper, wat uiteraard een heel andere dimensie gaf aan zijn rouw
om diens dood, én aan zijn verstoord seksleven met Maggie. Wat
aanvaardbaar was op de planken was dat echter nog niet in de
bioscoop, en regisseur Richard Brooks (vooral ook bekend van ‘The
Blackboard Jungle’) zwakte de suggestie van homoseksualiteit dan
ook zwaar af. Hij voorzag het verhaal ook van een positiever einde
– twee ingrepen die Tennessee Williams zo kwaad maakten, dat hij
zijn naam van de film liet verwijderen, onder het motto: “dit is
niet mijn ‘Cat on a Hot Tin Roof'”.

Wie de film vandaag bekijkt, ziet dan ook in de eerste plaats
een clash tussen de gangbare moraliteit van de jaren vijftig, waar
de film noodgedwongen aan moest conformeren, en de neiging van
Williams om heilige huisjes omver te halen. Al de toneelstukken van
Tennessee Williams gingen in zekere mate over de hypocrisie van de
American dream: in ‘A Streetcar Named Desire’ wordt een
keurige leerkrachte langzaam maar zeker waanzinnig nadat haar eigen
man een gay liaison heeft en ze verkracht wordt door haar
schoonbroer. In ‘Cat on a Hot Tin Roof’ krijgen we welgestelde,
nette mensen uit het conservatieve zuiden te zien, maar kijk eens
wat voor problemen er allemaal onder de oppervlakte zitten te
krioelen. Williams’ toneelstukken gaan over frustraties en
conflicten waar je in de jaren vijftig niet over hoorde te spreken.
In de theaters ging men daar blijkbaar liberaler mee om, maar film
was een massamedium dat onder strenge controle stond. Het gevolg
(spoilers ahoi!): voor de filmbewerking van ‘Cat on a Hot Tin Roof’
moest aan het einde de American dream, met het gezin als
de hoeksteen daarvan, weer in eer worden hersteld. De vader sluit
vrede met zijn zoon, de zoon kust in het laatste shot zijn vrouw,
allicht vooraleer hij haar voor het eerst in lange tijd nog eens
een goeie beurt geeft. Hoe groot de problemen ook waren, de
conventies winnen uiteindelijk. Dat was iets waar Williams – zelf
een homoseksueel én alcoholist, wiens eigen zuster aan schizofrenie
leed – niet mee kon leven.

Op een gekke manier maakt dat de film alleen maar interessanter:
je ziet niet enkel het drama op het scherm, maar ook de plaats die
de film inneemt in de (film)geschiedenis. Louter als film bekeken,
kun je er nauwelijks omheen dat ‘Cat on a Hot Tin Roof’ voor een
deel verouderd is. Het is duidelijk een toneelstuk gebleven, met
soms hoogdravende dialogen en lange, statische scènes. Dat stoort
van tijd tot tijd, zeker wanneer Maggie dramatisch uitschreeuwt:
Maggie the cat is alive! I’m alive!”. Maar toch – toch
zijn er ook heel wat scènes die wél recht in de roos gemikt zijn,
zoals het onderonsje tussen Brick en Big Daddy in de kelder van het
huis. Op dat moment glijdt het bombast even van de film af, en zie
je simpelweg wat het verhaal te bieden heeft: een vader en zijn
zoon die na lange tijd wat toenadering zoeken. En zulke momenten
zijn er nog: Gooper die zijn frustraties de vrije loop laat –
“Brick was altijd de favoriete zoon, terwijl ik nog zo m’n best
deed”. Of het moment waarop Big Daddy eindelijk te weten komt hoe
ziek hij eigenlijk wel is, en met iets van wanhoop probeert om zijn
gezicht in de plooi te houden. Hij is tenslotte de stamvader van
een trots zuidelijk gezin.

Die momenten tonen aan dat de kracht van Tennessee Williams’
toneelstukken er op de één of andere manier altijd doorheen komt
stralen, zelfs met een gecompromitteerd einde. En er zijn de
acteurs: Paul Newman stond nog aan het begin van zijn filmcarrière,
en beleefde hier zijn grote doorbraak met een riskante rol – hoe
populair het Pulitzer-winnende stuk ook was, voor die tijd bleef
het een project met enkele gewaagde thema’s. Elizabeth Taylor was
dan weer volop bezig aan de overstap van kindster naar volwassen
actrice in dito rollen. Ze zou later nog beter scoren, in bv ‘Who’s
Afraid of Virginia Woolf’, maar hoewel ze hier nog wat rijpheid
mist, gooit ze zich in de rol met een indrukwekkende overgave. Burl
Ives heeft de meest opvallende bijrol als Big Daddy, waarin hij
grote dramatische momenten mag afwisselen met een sterke komische
timing.

‘Cat on a Hot Tin Roof’ bereikt niet de onsterfelijke
klassiekerstatus van ‘A Streetcar Named Desire’, maar het blijft
een superieur melodrama, én een fascinerende studie van censuur in
het Hollywood van de jaren vijftig. Eentje voor de liefhebbers,
dus.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

16 − 8 =