Solaris (2002)

Andrei Tarkovsky staat te boek als een archetypische depressieve Russische filmmaker, die lange, moeilijke,
ontoegankelijke films maakte waar alleen een hardcore arthouse-publiek iets aan had. Wat een omschrijving is die even simplistisch als correct is: een leek begint er inderdaad beter niet onvoorbereid aan, maar wie op de juiste frequentie zit om Tarkovsky’s unieke artistieke signalen te ontvangen, kan zich maar beter klaarmaken voor een unieke trip. Solyaris, uitgebracht in 1972, is waarschijnlijk één van zijn meest toegankelijke films, omdat hij op zijn minst een verhaal heeft. Toen Steven Soderbergh er een remake van maakte, werd dat dan ook één van de meest
besproken films van 2002. De critici waren in Amerika
verdeeld in twee kampen – was hij saai of fascinerend, pretentieus
of diepzinnig? – en het publiek bleef massaal weg eens ze merkten
dat dit geen gewone SF-kost was, maar is het nu eigenlijk een goeie
film? Absoluut.

De plot van de originele film is in grote lijnen bewaard gebleven:
psycholoog Chris Kelvin (George Clooney), wordt naar een
ruimtestation rond planeet Solaris gestuurd om uit te zoeken wat er
gaande is met de bemanning, die mysterieus gedrag is beginnen
vertonen. Chris is een gebroken man; na de zelfmoord van zijn vrouw
enkele jaren eerder, is hij er nooit in geslaagd om de draad van
zijn leven weer op te nemen, en we zien hem door zijn flat, door
zijn bureau en door de metro glippen, alsof hij niet eens bestaat.
Een superster als Clooney die een dergelijke eenzaamheid neerzet –
dat zie je niet elke dag.

Wanneer Kelvin op Solaris arriveert, treft hij enkel nog twee
bemanningsleden in variërende staat van waanzin aan. Beiden sluiten
ze zich op in hun kamer, en weigeren ze hem te vertellen wat er
gaande is op het ruimtestation. Wanneer Kelvin die nacht gaat
slapen, ontdekt hij het echter zelf: hij wordt gewekt door zijn
overleden vrouw. Schijnbaar heeft de planeet Solaris de kracht om
mentale beelden – herinneringen, emoties – om te zetten in
realiteit. Maar deze afbeeldingen zijn ten slotte niet menselijk,
en hoezeer Kelvin ook zijn fouten uit het verleden wil goedmaken,
hij staat tegenover niet meer dan een intelligente
hersenschim.

Steven Soderbergh, de ongekroonde koning van de remakes (zie ook
‘Traffic’ en ‘Ocean’s Eleven’), heeft een zeer goede
keuze gemaakt toen hij besloot de
originele film
niet zozeer te remaken, als wel te destilleren
in zijn eigen visie. Waar Tarkovsky’s film bezaaid was met
filosofische en wetenschappelijke overpeinzingen, concentreert
Soderbergh zich hier voornamelijk op het liefdesverhaal. Dat zou
kunnen klinken als een Hollywoodiaanse vereenvoudiging van een
complexe film, maar dat is het niet. Dit verhaal wordt immers veel
beter uitgewerkt dan in de eerste versie; voor het eerst krijgen we
het huwelijk tussen Chris en zijn vrouw ook echt te zien in
flash-backs, wat er een extra dimensie aan geeft. En aan het einde
van de film is de relatie tussen Kelvin en zijn vlees geworden
herinneringen aan zijn vrouw, zo complex geworden, dat Soderbergh
erin slaagt om hieraan veel van dezelfde onderliggende vragen op te
hangen die Tarkovsky’s film zo
fascinerend maakten. De beide films bereiken dus hetzelfde – een
vraagstelling rond thema’s als “wat is écht zijn”, “bestaat er
liefde over het graf”, “hoe nemen wij andere mensen waar” en
“bestaat er een God” – maar ze geraken er op verschillende
manieren. Tarkovsky mikte enkel op onze hersenen, Soderbergh gaat
voor de emoties.

En hij gaat voor onze emoties op een zeer effectieve manier. Zonder
op melige dialogen of strijkmuziek te rekenen, betrekt Soderbergh
zijn publiek op een visuele manier in het verhaal. Het grootste
deel van de film is koud, afstandelijk. We zien de hoofdpersonages,
in essentie eenzame mensen, in hoofdzakelijk wide shots door de
lange gangen van het ruimtestation lopen, de camera veelal
stilstaand of anders zeer onopvallend bewegend. Een visuele stijl
die de aandacht niet op zichzelf trekt, maar op een zeer koude
manier weergeeft wat er gebeurt.

Maar dan zijn er de flash-backs naar de verhouding tussen Clooney
en zijn echtgenote Rheya (gespeeld door Natascha McElhone,
overigens), en opeens krijgt de film alles dat hij eerder miste. We
krijgen een streepje humor, een beetje romantiek. De filmt opent
zich als het ware voor de emotie die voordien zeer bewust afwezig
was. Je ziet het ook aan de visuele stijl: een handgehouden camera
die de acteurs op een zeer speelse manier volgt. Door het contrast
met de onderkoelde toon van de rest van de film, is het maar al te
makkelijk om dit liefdesverhaal te geloven. Ik heb zelden twee
acteurs op een scherm met meer overtuiging verliefd weten zijn. Die
flash-backs, die in totaal misschien twintig minuten van de film
opmaken, verlenen wat men dan met een pretentieus woord gravitas
noemt, aan de rest ervan. Ze zijn het anker van de film, onze
emotionele link ermee. Hadden die scènes niet gewerkt, dan had de
rest nog zo goed mogen zijn, het had ons koud gelaten. Maar zoals
het is, verdient Soderbergh juist zijn kijkers met die segmenten,
waardoor hij ons moeiteloos meedraagt naar het einde.

Clooney speelt een verrassende rol als Chris Kelvin – hij ziet er
de hele film lang uit alsof hij net een marathon heeft gelopen en
dringend aan rust toe is. Naar het einde toe is de wanhoop en
verwarring op zijn gezicht te lezen. Zonder zich te bezondigen aan
overacting, is hij op een zeer stille manier indrukwekkend. Kijk
naar zijn gezicht op het moment dat hij zijn vrouw voor het eerst
terugziet. Of wanneer hij zichzelf van die eerste manifestatie van
Rheya verlost, op een nogal drastische manier. Twee keer een scène
zonder dialoog, waarin hij het enkel met zijn gezicht moet doen.
Maar wàt een klasse!

Blijft het feit dat u absoluut niet onvoorbereid bij Solaris dient
binnen te stappen. Dit is een langzame, moeilijke film waarvoor je
moet werken. Soderbergh komt zijn kijkers al een eind verder
tegemoet dan Tarkovsky met zijn film, maar dit blijft nog steeds
zware kost. Dat de film zich afspeelt in een SF-achtige setting, is
eigenlijk bijkomstig. ‘Solaris’ is geen SF-film, maar een drama met
filosofische neigingen over dood, verlies, het onderscheid tussen
realiteit en hallucinatie en – pink nù uw traan weg – liefde. Het
ruimtestation is enkel iets dat de plot ondersteunt. Wie zoemende
lichtsabels of kleine groene mannetjes met puntige oren verwacht,
kan maar beter ver weg blijven.

Ik vind het althans hoopgevend dat dit soort project nog gemaakt
kan worden binnen het Hollywoodsysteem. Een big budget film waarin
dit soort van risico’s worden genomen. Faut le faire! Een groot
deel van het publiek zal dit saai vinden, ongetwijfeld. Maar voor
mij was dit een verademing: een film die niet neerkijkt op het
publiek, die onze intelligentie niet beledigt, en verder mikt dan
enkel oppervlakkige sensaties. ‘Solaris’ ís pretentieus, en hij ís
soms pompeus, maar hij is ook briljant. Je zou je bijna weer gaan herinneren waarom
je ooit filmfanaat bent geworden.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × twee =