Dreamcatcher


Sinds de jaren negentig heeft Stephen King het moeilijk nog een
goed boek uit zichzelf te persen, lijkt het. De grootmeester van de
horror, die in de jaren zeventig en tachtig het genre veranderde
tot wat het nu is, keerde zich naar meer literair aandoende
projecten (denk maar aan het nogal onsamenhangende ‘Hearts In Atlantis’), en scheen er hard aan
te werken zijn reputatie om te gooien naar die van een ernstig
auteur. Maar voor sommige zaken is het gewoonweg te laat als je
tegen de zestig aankijkt, en het was pas wanneer King nog eens
volop voor griezel en goor ging, dat hij een voltreffer scoorde –
‘Dreamcatcher’ ging dan wel gretig lenen bij Kings vorige boeken
(zoals ‘It’ en ‘The Tommyknockers’), maar het was één van zijn
spannendste boeken in jaren. Een mens vraagt zich af hoe de
verfilming zo ongelooflijk fout is kunnen gaan.

Het begint nochtans goed. Jonesy, Henry, Beaver en Peter zijn
vier jeugdvrienden die elkaar al twintig jaar lang kennen, en
hoewel elk ondertussen zijn eigen richting is uitgegaan, komen ze
elk jaar een weekje jagen in de bossen van Maine. Dit vroege
gedeelte van de film werd goed aangepakt – we krijgen echt de
indruk dat dit mensen zijn die elkaar door en door kennen, die
weinig woorden nodig hebben om elkaar te begrijpen. Vrienden hebben
een soort van codetaal waarmee ze elkaar aanspreken, die bestaat
uit afkortingen en vage verwijzingen die voor hen duidelijk genoeg
zijn. Stephen King weet dat maar al te goed, daarom dat de dialogen
in zijn boeken vaak zo levendig zijn. Tijdens het eerste half uur
van deze film krijgen we daar ook een smaakje van, wat mooi is.

Dan strompelt een verkleumde man vanuit de bossen hun blokhut
binnen – hij was verdwaald, vertelt de man Jonesy, en tijdens zijn
verblijf in het woud heeft hij schijnbaar dingen gegeten die hem
niet erg goed bevallen zijn – de schetengrappen zijn niet van de…
euh… lucht.

Vanuit die beginsituatie ontwikkelt zich een plot waarover ik
niet al te veel wil vertellen; laat het volstaan te zeggen dat er
schimmel vanuit de ruimte, strontwezels en een militaire cover-up
operatie onder leiding van kolonel Curtis (Morgan Freeman) aan te
pas komen. Kortom, alle ingrediënten voor een onderhoudend, indien
niet bepaald intellectualistisch, avondje amusement. Of wou u mij
vertellen dat u niet spontaan de oren spitst bij het horen van het
woord strontwezels? Wel dan.

Maar nee dus. Want na dat eerste half uur loopt alles namelijk
behoorlijk fout. Ik zou natuurlijk de standaardklacht kunnen
noteren dat het boek zoveel beter is dan de film, maar die vlag
dekt de lading niet in dit geval. Ook bekeken als film op zichzelf,
blijft dit een onvoorstelbare mislukking.

Ik verklap echt geen grote geheimen van de plot door te zeggen
dat één van de personages op een bepaald punt mentaal wordt
overgenomen door een alien. De echte persoon is er nog, opgesloten
in zijn eigen brein, maar vrijwel machteloos tegen de kracht die
zijn lichaam bestuurt. Het enige dat hij wél nog kan doen, is
communiceren met de alien. Iets dat in het boek mentaal gebeurt,
via interne dialogen. In de film daarentegen, trekt de acteur in
kwestie (een sensationeel miscastte Damian Lewis) gewoon een grimas
en begint hij in een overdreven Brits accent te praten, waarbij hij
zelfs woorden gebruikt als “gov’nah”. Ik wist helemaal niet dat
Britten dat nog deden na de 19de eeuw. Dat is dan het verschil
tussen een mens en een alien, schijnbaar. Stelt u zich voor dat u
in ‘The Two Towers’ naar de dialogen
tussen Gollum en Sméagol had moeten luisteren zonder dat er
weggecut werd, zodat u de hele tijd gewoon continu zijn gezicht kon
zien veranderen naar een andere uitdrukking. Of dat men dat in
‘Spider-Man’ met de gespleten
persoonlijkheid van Willem Dafoe had gedaan. Het zou lachwekkend
zijn geweest. Net zoals het dat hier is.

De eerste helft van het boek wordt vrij getrouw gevolgd, wat
ervoor zorgt dat de filmmakers na ongeveer 45 minuten beseffen dat
ze al een aanzienlijk deel van hun speelduur opgesoupeerd hebben,
terwijl ze nog maar aan pakweg bladzijde honderd van het boek
zitten. Het gevolg is dat men begint te racen. Alle fijne puntjes
van de plot, alles wat de personages tot leven bracht, alle humor
en menselijkheid uit de roman van King worden resoluut overboord
gegooid om het verhaal toch maar tijdig tot een einde te kunnen
brengen. Alleen de scènes die absoluut noodzakelijk zijn voor de
plot mochten blijven. Hoe lang zou Morgan Freeman eigenlijk in
beeld zijn? Tien, vijftien minuten? Zijn personage, de voornaamste
slechterik van het boek, wordt niet meer dan een vaag
onrustwekkende schim van wiens motivatie we nauwelijks iets
snappen. Hetzelfde geldt voor Tom Sizemore als kapitein Underhill;
gezien de manier waarop men hem hier gebruikt, hadden ze hem net zo
goed uit het verhaal kunnen schrijven.

Het valt moeilijk te geloven dat hier een regisseur als Lawrence
Kasdan (‘Silverado’, ‘Grand Canyon’), en een scenarist als William
Goldman (nochtans verantwoordelijk voor ‘Misery’, één van de beste
Kingverfilmingen), aan gewerkt hebben. De plot wordt hier in
telegramstijl overgenomen van het boek, en met het verwijderen van
nuances en details, duiken er vaak gaten in het verhaal op die
groot genoeg zijn om een ruimteschip in te parkeren. Zo komen we
nooit precies te weten hoe het afloopt met de mensen die in
quarantaine werden gezet door het leger, blijven we ons afvragen
hoe het kan dat Freeman al 25 jaar achter die aliens aanzit zonder
dat ze ooit eerder pogingen ondernamen te doen wat ze in deze film
doen, en krijgen we af te rekenen met een einde dat zo van de pot
gerukt is, dat je zin krijgt om je popcorn naar het scherm te
gooien.

Dat einde, vertel ik er graag even bij, heeft niets te maken met
dat van de roman. Het is een verzinsel van Goldman en Kasdan, dat
niet alleen volkomen onlogisch is in relatie met de rest van het
verhaal, maar ook bijzonder veel vragen oproept rond de manier
waarop één van de hoofdpersonages verwekt werd.

Voeg daar nog ondermaatse acteerprestaties van de kindacteurs
aan toe (ze lijken fysiek dan wel op hun volwassen tegenhangers,
maar slagen er niet in om geloofwaardige personages tot leven te
roepen), en dialogen die soms om te gillen zijn, en je hebt wel
zo’n beetje deze film. Voorbeeld van een dialoog? Sizemore die over
zijn militaire vader zegt: “Zijn laatste woorden waren: We doden
soms wel mensen, maar uiteindelijk zijn we hier om hen te helpen..”
Soldaten zijn gek, van de eerste tot de laatste. Zeg dat ik het
gezegd heb. Mijn laatste woorden, gesproken op mijn 101ste
levensjaar, zullen zijn: “Het is te vroeg, mijn vrouw is nog maar
negentien!” Of anders: “Gelukkig! Eindelijk zal die herinnering aan
‘Dreamcatcher’ voorgoed verdwijnen!”

http://dreamcatchermovie.com/

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

negentien − 5 =