Dolittle

Dat het huidige filmlandschap geregeerd wordt door ‘franchises’ en ‘integrated universes’, waarin de naamsbekendheid van deze of gene acteur (of regisseur) niet veel betekenis meer heeft, wordt ten overvloede bewezen met Dolittle waarin Robert Downey Jr. probeert om na de dood van zijn Avengers-personage Iron Man (al weet je natuurlijk nooit in het Marvell-Disney universum) voet aan de grond te krijgen met een potentiële nieuwe filmreeks. Zijn star-persona was echter ruim onvoldoende om deze peperdure – 175 miljoen dollar – productie voldoende aantrekkingskracht te geven en de film zag zich tijdens het openingsweekend aan de kassa ruimschoots voorbijgestoken door Bad Boys for Life van Adil El Arbi en Bilall Fallah.

Ter verdediging van de prent: het personage van Dr. Dolittle, de dokter die met dieren kan praten, bedacht in 1920 door auteur Hugh Lofting, heeft nooit echt een succesvolle overstap gemaakt van papier naar het witte doek. Na vier zwakke of ronduit onbekijkbare films – een versie uit 1967 en een versie uit 1998 met Eddie Murphy die twee sequels kreeg – kan je alleen maar vaststellen dat het concept niet echt lijkt te werken in filmvorm. Deze nieuwe versie brengt daar absoluut geen verandering, al is Dolittle nu ook niet de absolute ramp die de ronduit vijandige recensies in de VS doen vermoeden.

Ergens diep in het hart van deze overbeladen productie, klopt immers de opwindende slag van een echt avonturenverhaal. Een saga waarin verborgen schatten bewaakt worden door draken, kleine jongens op audiëntie gaan bij de koningin van Engeland (en ‘en passant’ het hart winnen van de prinses) en waarin boten voortgetrokken worden door machtige geharnaste walvissen. Het grote probleem van dit alles is driewerf: de CGI – effecten, de vaak infantiele humor en de verkeerd ingeschatte acteerprestaties.

Wat betreft de effecten is het nochtans zo dat de pratende dieren er nochtans behoorlijk overtuigend uitzien en alvast beter geconcipieerd zijn dan hun digitale tegenhangers in The Lion King en het nakende The Call of the Wild. Helaas lijken de makers daar geen genoegen mee te nemen en moet er overal een schepje bovenop worden gedaan: scènes waarin Robert Downey Jr. de psycholoog speelt van een tijger en een draak, zijn ronduit ridicuul en zorgen ervoor dat de welwillendheid die de kijker heeft opgebouwd tegenover het gegeven van pratende digitale beesten, al snel weer verdwijnt. Die momenten zijn ook tekenend voor de humor in de film: op zijn best bezit Dolittle een ontwapenende charme, maar die wordt voortdurend tenietgedaan door de onnozele agressieve grapjes die te pas en te onpas de actie onderbreken. Dat wordt ook weerspiegeld in het acteerwerk van zowel Downey Jr. als dat van Antonio Banderas als de heerser over een exotisch eiland: beide acteurs leggen zoveel ironie in hun spel, dat het lijkt alsof ze nauwelijks in het materiaal geloven. Een dergelijk avonturenverhaal heeft baat bij een benadering die de groteske poëzie omarmt en niet voortdurend knipoogjes uitdeelt die alles onderuithalen.

De combinatie van in wezen best genietbaar sprookjesachtig materiaal dat bij momenten goed gevisualiseerd wordt (de ‘production design’ van Dominic Watkins is de grootste troef van de film), met een aantal slecht gekozen en storende elementen, is ook wat een gelijkaardig project als The Golden Compass, de das omdeed. Gezien de gigantische flop die dat opleverde, is het überhaupt al een wonder dat Dolittle het levenslicht zag. Stephen Gagan (Syriana) is een beter regisseur dan Chris Weitz, maar dat is duidelijk niet voldoende om deze zwalpende film overeind te houden en het resultaat is even vaak onuitstaanbaar als charmerend.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in