Arnon Grunberg :: Slachters en psychiaters

Meer dan tien jaar na zijn eerste bundel reportages Kamermeisjes en soldaten keert Arnon Grunberg terug naar waarin hij misschien nog beter is dan in het schrijven van ontregelende romans: unieke inkijken in het dagelijkse leven van (niet-)alledaagse mensen. Maksim Gorki raadde mede-auteur Isaak Babel aan om onder de mensen te gaan en zo een beter schrijver te worden. In 2006 volgde ook Grunberg die raad op, al vond zijn ‘onderduiken’ niet alleen de weg naar zijn romans maar ook naar reportages die in kranten en weekbladen verschenen.

Ook na de eerste reeks bleef Grunberg het idee om onder mensen te zijn trouw. Slachters en psychiaters pikt dan ook de draad op waar de kamermeisjes en de soldaten hem in 2008 lieten liggen en bundelt twaalf jaar aan ervaringen. Net zoals in het eerste werk dekt de titel de lading en toch weer niet. In 2006 trok Grunberg als journalist “embedded” in het Nederlandse leger mee door Irak en Afghanistan, in die periode stond hij ook in Duitse hotels als kamerjongen mee in voor het onderhoud van de kamers. Het bleef echter niet daartoe beperkt, zo verhaalde hij ook over Israël, Guantanamo Bay en hoe het er aan toe gaat in Zwitserse restauratiewagens. Naargelang het thema en mogelijkheden verwerd hij daarbij van objectieve toeschouwer naar actieve participant en meer dan eens viel hij samen met beide rollen.

Het boek en de reportages werden omschreven als literair-journalistieke stukken die over de politieke en sociale activiteit berichten en hoewel daar zeker een lans voor gebroken kan worden, zegt het niet alles. Grunberg zelf merkt op dat nooit duidelijk is waar hij als persoon ophoudt en de schrijver begint, zelfs al is alleen die laatste aan het woord. Het betekent ook dat hij, zoals iemand uit een van de reportages het omschrijft, vooral bekend is om zijn “soms ridiculiserende en scherpe pen”. Dat is niet gelogen maar vaak wordt het mededogen waarmee Grunberg zijn verhalen omwikkelt, onderkend. Hoewel Grunberg decennialang zijn romanpersonages beschreef als bijna willoze automaten, waren het wel degelijk mensen van vlees en bloed, die in al hun kwetsbaarheid de wereld rondom hem zin trachtten te geven.

In zijn laatste romans durft hij die kwetsbaarheid steeds vaker te tonen zonder het te omwikkelen met een schild van ironische afstandelijkheid of gelatenheid, een gevolg van zijn bestaan onder de mensen. Wie Grunbergs romans kent, leest in de reportages immers de grondstof hiervoor en dus ook de mensen en menselijkheid die er aan ten grondslag liggen. Zelf erkent hij meermaals hoe bepaalde gebeurtenissen of ervaringen hun weg gevonden hebben naar zijn romans, maar het is gevaarlijk hier een één-op-éénrelatie in te zoeken. Dat zou niet alleen onrecht doen aan de auteur en schrijver maar ook aan de vele mensen die Grunberg ontmoet heeft en, al was het maar kort, een diepgaande band mee heeft opgebouwd.

Een belangrijk verschil met de vorige bundel is immers dat Grunberg niet alleen terug keert naar het vertrouwde terrein van het leger of dienstbaarheid (ditmaal als masseur) maar hij zichzelf ook in de rol van het lijdende voorwerp (soms zelf letterlijk) of betrokken lid van een familie of gemeenschap plaatst. Zelfs wanneer hij veeleer de journalistieke reportage-tour opgaat, worden de artikelen vaak persoonlijk en soms zelfs emotioneel. Dat laatste wordt overigens door de andere betrokkenen niet altijd zo ervaren. Onder meer de patiënten en het verplegend personeel met wie Grunberg enige tijd doorbrengt in een Belgisch psychiatrisch ziekenhuis merken op dat hij in zijn stukken niet alleen de focus legt op het aparte en vreemde maar ook het lijden niet lijkt te zien. Het pleit voor Grunberg dat hij deze kritiek mee opneemt en zichzelf zo ook blootgeeft.

Zonder aan de ervaringen en het aanvoelen van de betrokken partijen te raken, mag de lezer wel stellen dat deze het zo niet aanvoelt (om het even in Grunbergsiaanse termen te beschrijven). Wanneer Grunberg in alle eerlijkheid schrijft hoe hij na het afscheid van de patiënten in zijn hotelkamer in huilen uitbarst omdat een van hen hem troostte door te zeggen dat hij zich ervan bewust is dat Grunberg even hard lijdt als de patiënten zelf, is elk pantser verdwenen. Ook de reportage over de gesloten instellingen voor jongeren komt hard aan, hoewel Grunberg vaak luchtig schrijft, spreekt zijn eindconclusie boekdelen: “wij moeten bij de kinderen blijven.” Zelfs zijn stukgelopen relatie midden in een reis over – oh ironie – relaties en liefde, krijgt een plek. Een verhaal dat des te wranger aanvoelt omdat hij die niet alleen beleefde met zijn ex-vriendin maar zij tijdens die trip ook een miskraam krijgt. De afstandelijkheid van de schrijver blijft aanwezig maar tussen de lijnen is wel degelijk het verdriet, ook van Grunberg, te lezen. Soms is een zekere distantie de enige manier om iets mee te delen.

De harde manier waarop de geportretteerden zichzelf weerspiegeld zien, keert ook terug in zijn relatie met zijn oudere zus die als koloniste in Israël woont. Meer dan eens laat ze weten hoe ze voelt dat haar diepgelovige overtuigingen en levensstijl door haar broer in het belachelijke getrokken worden, een verwijt waar Grunberg weinig tegenin kan brengen. Grunberg is in zijn stukken (en leven) in zekere zin dan ook een clown en artiest die als stelregel heeft dat we “dwars door de pijn blijven lachen” (tevens de titel van de reportage over zijn verblijf in een circus). Zijn stukken lezen hard en onthecht maar achter die façade weet hij wel de pijn te tonen die vaak verborgen blijft.

Grunberg zoekt echter niet in al zijn reportages bewust het lijden of de eenzaamheid op, hij is geen handelaar in pijn. Soms trekt hij ‘gewoon’ in bij een gezin of gaat hij samen met hen op reis. De manier waarop hij hierover verhaalt, verschilt echter weinig van de andere reportages. Zoals steeds lijkt hij op zoek te gaan naar universele waarheden of zekerheden om uiteindelijk te belanden bij banale maar vaak ook diepe wijsheden die de trivialiteit maar ook de schoonheid van het bestaan onderstrepen. Doorheen alles, wat het onderwerp ook is, gaat Grunberg op zoek naar de mens en wat ons verbindt. En ook al voelen de betrokkenen het vaak zo niet aan, net in de manier waarop Grunberg hen portretteert, weet hij hen een unieke menselijkheid te geven die tezelfdertijd zo herkenbaar aanvoelt.

Slachters en psychiaters is een samenvatting van twaalf jaar tijdelijk lief en leed delen, soms ironisch maar vooral eerlijk en oprecht. Net als in zijn romans fileert Grunberg met chirurgische precisie de microsamenlevingen, al blijft hier (nog meer) de mens achter het verhaal centraal staan. Het is een soms harde en dan weer ontroerende en troostende blik op wat ons allen tot mens maakt, en ook Grunberg in een kwetsbaar daglicht plaatst dat hij in zijn dagelijkse leven vaak schuwt. Als mens worstelt ook hij met zijn demonen, het is aan de schrijver die bloot te leggen met een mededogen dat naar anderen toe vaak moeilijk over te brengen is. Slachters en psychiaters ziet het lijden maar wil ons leren daar voorbij te kijken, zelfs als de verlossing ervan niet meer dan een illusie en zinloos ritueel is.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

18 − vijftien =