Arnon Grunberg :: Van achterdocht tot zelfgenoegzaamheid

Veelschrijver Arnon Grunberg toverde zich in de jaren negentig al snel om van beloftevol tot succesrijk auteur met een reeks romans die de juiste snaar wisten te raken. Rond de eeuwwisseling ontpopte hij zich naast romancier ook tot essayist, columnist en chroniqeur van het dagelijkse leven waarbij hij in meerdere weekbladen ook zijn vaste stek verwierf. Verschillende van die columns en essays vonden in 2012 hun weg naar Voetnoot. Eerste verzameling, in de jaren erna zoinden nog enkele bundels volgen waardoor Grunbergs non-fictiewerk haast even relevant werd voor zijn oeuvre.

Grunbergs afstandelijke en ironische stijl komt vaak belerend en zelfs cynisch over maar wie voorbij het stijlkenmerk kijkt, leest alvast in zijn romans er net zo goed een kloppend hart in voor de abjecte, tragikomische personages die ondanks alles trachten het goede te doen en daar vaak jammerlijk in falen. Het is een wat monkelende kijk die vaak ook een liefde herbergt voor de medemens en een noodzaak of verlangen om het decorum dat het dagelijkse leven soms zo ondraaglijk of zwaar maakt te doorbreken. Meer nog dan in zijn romans laat Grunberg die zich als publiek persoon zelf continu achter personages en maskers verschuilt, dit deel van zijn wereldvisie doorschemeren in zijn non-fictie werk. Op meer dan één manier toont hij zich immers net in deze stukken als een moderne nar die het tragikomische van het bestaan onderkent en het met enig genoegen een (lach)spiegel voorhoudt.

In 2012 verscheen De Mensendokter, een bundel met vragen die lezers van Vrij Nederland aan Grunberg konden stellen en waar hij dan op zijn kenmerkende manier een antwoord op gaf. Het werk gaf meer nog dan in zijn andere geschriften Grunbergs aparte kijk op de wereld weer in het bijzonder omdat hij ditmaal inging op vragen van lezers via de klassieke “vraag raad”-rubriek. Op het eerste gezicht was het uiteraard een parodie op de vele raadgevende pgagina`s die vrouwenblaadjes zo vaak kenmerk(t)en maar eronder school wel degelijk de nood aan antwoorden evenals de behoefte een helpende hand toe te steken. Zelfs al was de raad vaak absurd en bevreemdendend, de wil om helpen was wel degelijk aanwezig. Eenzelfde gevoel en onderliggend verlangen lijkt ook doorheen Van achterdocht tot zelfgenoegzaamheid te schuilen, al is de opzet ditmaal anders.

In 2015 startte Grunberg naar eigen zeggen met korte verhandelingen, hierin geïnspireerd door Léon Bloy en in het bijzonder diens Exégèse des lieux communs (1902–12, vertaald als Huilen met de wolven in het bos: gemeenplaatsen). Net als Bloy voor hem wenst Grunberg af te rekenen met de burgerlijke sentimentaliteit en beschouwt hij de korte verhandeling hiervoor als een uitstekend middel. Dat laatste wordt omschreven als essentialistisch (al het overbodige is gekapt), een vangnet onder de kunst van het converseren en een mini-essay, alsoon een samenvatting en bloemlezing van de auteurs werk. De korte verhandeling kan dan ook over “alle onderwerpen gaan die de hedendaagse mens dwarszitten, die hem fascineren, beangstigen of verlangens in hem opwekken” waarbij minimaal één aforisme per verhandeling een minimum is.

De verhandelingen verzameld in de bundel verschenen sinds 2015 in de VPRO Gids en worden hier alfabetisch geordend. Of alle verhandelingen opgenomen zijn, dan wel of er een selectie gebeurde is niet duidelijk, in het bijzonder daar er geen originele datum van verschijnen bijstaat, maar met ruim honderdzestig verhandelingen mag wel vermoed worden dat er alvast voor een heel ruime selectie gekozen is die bovendien thematisch heel breed gaat. In tegenstelling immers tot wat de titel laat vermoeden, worden niet enkel emotionele eigenschappen of gevoelens besproken maar bijvoorbeeld ook fysieke kenmerken als de neus en voeten, maatschappelijke fenomenen als mannelijkheid en nationalisme tot en met de toilettas, collega`s en tankstations. De keuze voor de onderwerpen lijkt dan ook even vaak willekeurig te zijn (buffet) als maatschappelijk trendend (postkolonialisme) tot en met absurd (liften).

Een grote gelijkmaker is evenwel de manier waarop Grunberg te werk gaat en de thema`s behandelt en daarbij kolderieke commentaar koppelt aan relevante inzichten en gedurfde stellingnames. Een mooi voorbeeld hiervan vormt bijvoorbeeld de verhandeling over postkolonialisme waar Grunberg enerzijds scherp is voor de vroegere Westerse koloniale machten alvorens hij een absurde vergelijking maakt met een esthetische uitspraak over een hoed van stro. Het venijn zit evenwel in de staart wanneer hij na enkele malen opgemerkt te hebben dat superioriteit op basis van afkomst niet houdbaar is, hij fijntjes opmerkt dat het evenzeer geldt voor morele superioriteit op basis van afkomst. Maar al te vaak immers maken beide partijen en tegenstanders zich aan eenzelfde denkfouten schuldig. Ook zijn reflectie op Israel kan zo gelezen worden waarbij hij met scherp schiet op zowel het zionisme als het antisemitisme en aldus niet blind is voor de verschillende partijen die gretig gebruik maken van die feiten en verklaringen die uitstekend binnen het eigen kraam passen.

Dat niet elk onderwerp even ernstig behoort te zijn maken onder meer een verhandeling over de lift (en mensen die er van gebruik maken) en roken duidelijk waarbij die eerste net zo goed handelt over hoe mensen zich tot elkaar verhouden en het tweede ook de marginalisering en stigmatisering van rokers behandelt. In beide, en andere verhandelingen laat Grunberg ook enkele persoonlijke ervaringen meespelen terwijl hij net zo goed de grenzen ban he absurde opzoekt. In nog andere verhandelingen omarmt hij die zelfs volledig zoals in de verhandelingen over etiquette en schaamhaar. Al weet hij in de eerste ook de vraag naar het verschil tussen moraal en etiquette te maken en laat hij bij de verhandeling over schaamhaar zowaar een mogelijkheid open om conflicten tussen collega`s onderling of politici te laten ontmijnen door het wederzijdse knippen van schaamhaar.

Er mag gerust gegrinnikt worden om de manier waarop Grunberg kleine en grote thema`s de revue laat passeren, meer nog omdat hij ze allemaal met eenzelfde ernst behandelt en tezelfdertijd bij zijn bedenkingen en reflecties evengoed het absurde ervan onderstreept. De manier waarop hij aldus in navolging van Bloy de (klein)burgerlijke sentimentaliteit, zelfoverschatting en eigendunk in haar hemd zet, behoort navolging te krijgen. In zijn verhandelingen spaart Grunberg immers niemand maar toont hij ook een zeker begrip voor wie ondanks alles stuntelend blijft doorspartelen. Of zijn “korte verhandelingen voor de moderne mens” in navolging van die van Bloy na ruim honderd jaar nog even leesbaar en vermakelijk zullen zijn, blijft koffiedik kijken maar wie zichzelf en zijn medemens niet te serieus wenst te nemen, zal mits genuttigd met mondjesmaat in Van achterdocht tot zelfgenoegzaamheid alvast zichzelf en de wereld even genuanceerd beschouwen.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

17 − 8 =