Chris de Stoop :: Het boek Daniel

Het raakvlak tussen journalistiek en literatuur: dat is waar het oeuvre van Chris de Stoop zich situeert. Inmiddels meermaals bekroond omwille van zijn baanbrekende onderzoeken naar onder andere illegale vrouwenhandel, terrorisme, migratie en de teloorgang van de boerenstiel, wordt er in ons land steevast reikhalzend uitgekeken naar nieuw werk van de man. Naar het onderwerp van Het boek Daniel hoefde de Stoop deze keer overigens niet op zoek te gaan. Het thema vond hem, in de intimiteit van de familiale kring.

De Daniel waarvan sprake in de titel, blijkt een oom te zijn van de auteur. Een familielid dat zich al vele tientallen jaren uit het sociale leven had teruggetrokken, zowel binnen het dorp waar hij woonde als wat zijn bredere kennissenkring betrof. Een eenzaat dus, iemand die zichzelf buiten de maatschappij had gesteld. Wanneer de hoeve in Henegouwen, die Daniel op vierentachtigjarige leeftijd nog steeds alleen bestierde, plots in vlammen opging, haalden de ordediensten een lichaam van onder het puin dat al gestorven was voor de brand de hele architectuur tot as herleidde. Er waren bovendien aanwijzingen dat het vuur was aangestoken. Roofmoord is even later het meest voor de hand liggende motief, en het parket doet er niet lang over of er worden een aantal verdachten gearresteerd. Die blijken inderdaad verantwoordelijk voor de feiten, en hebben hun daden zelfs gedeeltelijk vastgelegd met een camera. Het gaat om piepjonge kerels, die elkaar tot dergelijke feiten hebben aangezet. Wie zijn zij, wat was hun ware motief en hoe konden ze doen wat ze gedaan hebben? Als dat geen vragen voor een doorwinterd onderzoeksjournalist zijn …

Laat een gemiddeld familielid naar een sluitende verklaring zoeken en je krijgt met zekerheid een gekleurd verslag. Dat de Stoop met Het boek Daniel niet aan zijn proefstuk toe is, moge van meet af aan duidelijk zijn. Natuurlijk sympathiseert hij met zijn overleden oom, maar niet blindelings, niet zomaar, niet omdat hij nu eenmaal tot de familie behoort. De auteur gaat nadrukkelijk aan zijn persoonlijk gevoelsleven voorbij en stelt zich oprecht de vraag wie Daniel was en waarom hij verzaakte aan een leven in de openbaarheid. Gaandeweg blijkt dit begrip van Daniels levenswijze – in nooit gemoderniseerde omstandigheden met een gebrek aan hygiëne en geen toegang tot courante media – wezenlijk, en wel omdat een terugkerend excuus bij diegenen die verzaakt hebben aan bepaalde plichten, de schuld voor de moord ten dele bij Daniel zelf lijken te leggen. Hij zou zichzelf nu eenmaal vrijwillig geïsoleerd hebben, zo klinkt het. Verrast merkt de Stoop op dat de samenleving aan dit zelfgekozen kluizenaarschap gevaarlijke conclusies verbindt, alsof Daniel geen hulp zou gewild hebben of een paria was die in zekere zin ‘geschikt’ was als slachtoffer van dergelijke feiten.

Ook aan de andere zijde van het spectrum graaft de Stoop bovendien dieper dan het oppervlak. Zo portretteert hij de leden van de verantwoordelijke jongerenbende als gedupeerden uit kansarme milieus, die zowel op school als in hun prille aanrakingen met justitie gefrustreerd geraken en zich willen afzetten tegen het maatschappelijke discours dat zich via regels en wetten manifesteert. Bij elkaar denken ze iemand te kunnen zijn, ook al steekt onderlinge wedijver hier de kop op. Ze willen hun zelfwaarde (lees: hun gebrek daaraan) per se materialiseren, waarna de ideeën voor een overval beginnen rijpen. Tijdens het proces verbaast de Stoop zich echter alweer over hoe ze zich over de feiten uitlaten. Volstaat het om te spreken over een vergissing, een stommiteit, een fase in het leven waarin ze even de pedalen kwijt waren? Hoe schuldbewust zijn ze, als ze maandenlang na de moord blijven ontkennen? In de moedige gesprekken die de Stoop achteraf met enkele van de daders aanging, sluimert de onzekerheid over hoe deze jongeren echt tegen de feiten aankijken. Tonen ze effectief berouw of likken ze vooral andermans wonden en houden ze de schijn op om snel weer de draad van een bestaan vrij van mores op te nemen?

Liever dan alles voorkauwen, stelt de Stoop vooral pertinente vragen. Het boek Daniel is hoe dan ook geen evidente aanklacht tegen een neoliberale samenleving die kansarme jongeren tot moordmachines maakt door hen geen andere uitweg te bieden. Evenmin insinueert de Stoop dat het juridisch apparaat faalt door de strafmaat in twijfel te trekken of door te jeremiëren over het feit dat er verschillende jaren moesten verstrijken tussen de moord en het proces. Opinie voert alleszins niet de boventoon, wel de reconstructie van de feiten en hoe de buitenwereld naar die feiten kijkt. Net dat gegeven – de analyse van de maatschappij – neemt de Stoop kritisch onder de loep, om op die manier een boek te schrijven dat niet alleen over Daniel gaat en niet alleen over ontaarde hangjongeren, maar ook (en vooral) over ons, onze blik, onze houding ten aanzien van verschoppelingen – of het nu bejaarde kluizenaars, dan wel adolescente relschoppers zijn.

Het boek Daniel houdt een spiegel voor. Bedachtzaam geformuleerd en scherpzinnig overpeinsd, maar altijd vlot gepend. Journalistiek vakwerk met een literaire inslag: zoals de Stoop is er in ons taalgebied geen tweede.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijftien + tien =