Black Midi :: Cavalcade

Na de clusterbom van debuut Schlagenheim bewandelen de snaken van Black Midi voor deze opvolger wat gematigder paden. De punker in u mag daar misschien niet zo blij mee zijn. Maar als je een King Crimson-plaat of twee in de kast hebt zitten, zal je je alsnog kostelijk amuseren.

Stormenderhand de muziekscène veroveren kan soms meer een vloek dan een zegen zijn. Schlagenheim kwam binnen als een flinke verrassing, en schopte de ingeslapen gitaarwereld eens flink tegendraads tegen de schenen. De wilde experimenteerdrift, gecombineerd met een waanzinnig hoog spelniveau en een totaal gebrek aan respect voor eender welke conventie, maakt van dit debuut één van de meest opgemerkte platen van 2019. Niet dat iedereen het kon smaken: velen stoorden zich aan de rare bokkensprongen, de walm van elitarisme en – wat je nog het meest hoorde – het erg vreemde stemgeluid van zanger/gitarist Geordie Greep. 

Hoge verwachtingen dus voor een opvolger, waarvan het maakproces niet meteen van een leien dakje liep. Gitarist Matt Kvasnievski-Kevin bleek door de weerbots van de aandacht, het toeren en de druk nood te hebben aan een lange mentale rustpauze. De drie overgebleven bandleden gingen vervolgens aan de slag door twee vaste toercompagnons (saxofonist Kaidi Akinnibi en toetsenist Seth Evans) intensiever te betrekken bij het creatieproces, dat zich meer richtte op lange improvisaties in plaats van jamsessies.

Die twee keuzes zijn doorslaggevend geweest in het geluid van Cavalcade. Weg zijn het knip- en plakwerk, de compacte, claustrofobische arrangementen en de zenuwachtige gitaren. Wel, niet helemààl natuurlijk. Openingsnummer en vooruitgeschoven single ”John L” schuurt nog als vanouds, en springt elke driekwart minuut wel op een andere tak. Een ‘old school’ Black Midi-nummer én een bevestiging dat het spelniveau van deze snaken nog steeds torenhoge toppen scheert. Want allemejezus, wat kunnen die kerels toch onwaarschijnlijk goed spelen. 

Dat spelniveau tekent ook meteen voor een aantal fenomenale hoogtepunten van deze plaat. Zo is er het denderende middenstuk uit ”John L” dat naast zijn razernij ook nog een subtiele versnelling in zich heeft. Of nog zo’n powermove aan het eind van ”Chondromalachia Patela” dat als een denderende stoomtrein voortraast, vooraleer als ”Wile E Coyote” de afgrond in te duikelen. Heerlijk momentje van zelfrelativering daar.

Maar dit album is niet alleen sterk in zijn herkenbare momenten. Het verbreden van het klankenpalet geeft Cavalcade meer ademruimte, waardoor de arrangementen beter tot hun recht komen. Zo ligt de sterkte van het razend knappe Dethroned in de knappe opbouw met jazzy accenten en een saxpartij die bijna onmerkbaar overgaat in de gitaar die het nummer verder domineert. Het einde van het rustige ”Diamond Stuff” bloeit dan weer open in een prachtig gearrangeerd jazzy progcoda. Zonder twijfel het mooiste moment van de hele plaat. 

Ook fijn om te horen dat de kernbandleden hun eigen grenzen blijven opzoeken. Drummirakel en trouwe steunbeer van de band Morgan Simpson toont dat hij naast vlammende rockpartijen de handen niet omdraait voor subtielere jazzstukken. En Geordie Greep ontdekte tijdens het schrijven van deze plaat niet enkel de Robert Fripp in zichzelf, maar verrast hier vriend en vijand door nog eens sterk te staan zingen.

Niet dat de hele plaat bol staat van de prachtige aria’s, hoor. Bassist Cameron Picton is dan wel onverslaanbaar op zijn instrument, maar het gortdroge, onverstaanbare gemompel van zijn vocale partijen sleuren nummers ei zo na de dieperik in. Een sterk muzikaal ”Slow” redt het nummer van de saaiheid, maar ware het niet voor dat prachtige einde, was 2/3 van ”Diamond Stuff” niet meer dan wat vormeloos gemurmel en gepingel. 

En misschien is dat nog het grootste manco van Cavalcade. Het is duidelijk dat de plaat ontstaan is uit improvisatie: je komt heel wat lange, meanderende passages tegen op dit album, maar vaak ontbreekt het hen aan dynamiek en gelaagdheid. Dat duurt godzijdank geen hele nummers lang, maar het zorgt er wel voor dat je binnen één enkele compositie het ene moment strak staat van de opwinding, om meteen daarna wat in je haar krabbend naar je horloge zit te staren. De negen minuten durende afsluiter ”Ascending Forth” speelt gedurende de hele looptijd gevaarlijk met die grens, maar kan gelukkig terugvallen op sterke sax-, toetsen- en strijkerspassages die Cavalcade het einde geven die het verdient.

Niet dat Cavalcade een saaie plaat is: au contraire. Black Midi bevestigt met de vingers in de neus het ongeëvenaard spelniveau, maar toont ook veerkracht en durf om muzikale horizonten te verbreden. Het experimenteren met nieuwe schrijfprocessen wijst op een wil tot innovatie die niet altijd zijn vruchten afwerpt, maar wel illustreert dat deze kerels nog lang niet aan het eind van hun verhaal zijn. Black Midi maakt het je als luisteraar daarom ook dit keer niet gemakkelijk. Maar geef toe: zou je dat eigenlijk wel willen?

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

drie × 1 =