Trojan Panda :: Peau

Of je Trojan Panda beschouwt als een folieke of toch iets meer dan dat, hangt vermoedelijk af van smaak, maar ook van affiniteit met ander werk van centrale spil Jozef Dumoulin. Sound en opzet van dit kwintet zijn volledig nieuw, maar ze horen thuis in een universum waarin onvoorziene ingrepen en struikelbewegingen eerder de regel dan de uitzondering zijn.

We kregen voor het eerst te horen van de band toen Dumoulin in 2017 de Club Stage van Jazz Middelheim voor een dag mocht inpalmen. Op het programma: veel gefreak aan de Rhodes en allerhande knoppen, maar ook een kwintet met drie gitaren dat qua esthetiek meer had met gitaarbands uit de jaren tachtig en negentig dan de moerassige impro-grond waar Dumoulin graag onbekende routes verkent. Verrassende insteek, ook: kijk wat er gebeurt als je muzikanten laat spelen op instrumenten die normaal niet de hunne zijn: saxofonisten Julien Pontvianne en Hugues Mayot vormen de ritmesectie, terwijl fagottiste Sophie Bernado en toetsenisten Dumoulin en Léo Dupleix gitaar spelen.

De filosofie: het haalt muzikanten uit hun comfortzone, maar levert met wat geluk ook een heel eigen poëzie op. Of iets minder bloemrijk: ze gaan met minder (vooral expertise en comfort) meer moeten doen. Het is een uitdaging die de vijf – deels geïnspireerd door Po, het hoofdpersonage uit de Kung Fu Panda-reeks, no kidding – maar al te graag aangaan, en die op Peau ongewone resultaten oplevert. Dit is vrij ascetische, ontbeende muziek, hier en daar misschien wat verwant aan de de ontregelde gitaarrock van bands als Sonic Youth en Band of Susans, of in z’n meest hypnotiserende momenten dichter bij Branca en Chatham, maar dan zonder die soms massieve volumeweefsels. Hier en daar een scheut postrock, maar dan zonder climax.

Opener “Black Madonna”, een stevige lap van een klein kwartier die samen met “Sylvia COiffure” instaat voor de helft van de albumduur, suggereert even een omkering van het ajuinverhaal: laag voor laag toevoegen om te belanden bij een dichte massa van geluid. Toch loopt het niet helemaal zo. Het samenspel is repetitief en wat wringend, met momenten van spanning en drumroffels, maar het draait niet om dramatische crescendo’s. Het durft soms horten en stoten, dreigen met bijna-stilstand. Dan is “Sylvia Coiffure” wat toegankelijker: meer ritmische stuwing, meer kraut-groove. Of beluister halverwege hoe een paar basnoten meteen voor extra spanning zorgen.

Sonic Youth, maar dan de uitwaaierende priegelversie, duikt ook op in “Mythomane”, dat aanvoelt als een jacht op ontglippende schimmen. En als “Joie De Vivre” al even uithaalt met een speels wentelend drumpatroon dat goed is voor een eigenaardige trance, dan is afsluiter “Animal”, een stuk van het concert in Middelheim, een buitenbeentje dat aanvoelt als een sussende pastorale dromerij. De stukken worden nog onderbroken door een stukje Bach (“Christus der uns selig macht”) en het hoekige “Karolientje in Haar Blootje” (een verwijzing naar “Carolientje en Haar Bootje”, dat Dumoulin aandroeg bij The Bureau of Atomic Tourism) die nog maar eens benadrukken dat hier geen rigide formule achter steekt.

Opnieuw: smaak en verwachtingen kunnen/zullen een rol spelen. Door het introverte samenspel zal Peau voor sommigen ongetwijfeld onaf of te vrijblijvend aanvoelen. Wie vertrouwd is met het werk van Dumoulin zal hier ongetwijfeld diens muzikale identiteit in herkennen, en hoewel Peau duidelijk niet de hoogste toppen scheert van zijn beste werk (beluister dat soloalbum nog eens, of zijn project met Lynn Cassiers, Lilly Joel), is het een zijstap die minder gekende wateren verkent met een vertrouwde openheid. Dat de Belg en zijn Franse compagnons bereid zijn om die stap te zetten, is op zich al fascinerend.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

veertien + 9 =