Eurosonic 2021 :: Een kutsituatie, en hoe er het beste van te maken

Donderdag 14 januari

Omdat wij er graag een potje van maken, begint Dag Twee met Best Kept Secret. (mvs) doet zijn beste gooi naar de manchegoburger van De Burgermeester, en met dat achter de kiezen zijn we klaar voor een nieuwe avond beamer-en-bier. “Niet morsen”, sist (lt) weliswaar streng – die plakkerige vloer houden we toch maar voor een volgende keer. 

Eerste, en meteen ook raarste stop van de dag: Alicia Edelweiss. Hoorden Finn Ronsdorf en zijn piano gisteren nog thuis in een ouderwetse schouwburg, dan is dit trio onmiskenbaar straattheater. Je hoort het, aan het folky DAAU-instrumentarium – accordeon, ukelele, cello en viool – maar je ziet het vooral, aan de maniertjes en circusuitdossing van mevrouw Edelweiss. Wie dat slecht verdraagt, luistert maar beter met gesloten ogen, want behalve een flinke portie overacting heeft Alicia Edelweiss met “The Secret Garden” misschien wel het beste nummer van deze editie meegebracht. Voor ze daar aan toekomt, is er nog het aandoenlijk breekbare “Leonie”, dat dankzij de accordeon dicht bij iets van Yann Tiersen heeft gelegen, gesteld dat die Joanna Newsom zou uitnodigen voor een duet. “At night, when all the world flies home / We shall have a party”, zingt ze, droef en verlangend tegelijk, en we verstààn haar.

“Dead Skin” roept dan weer af en toe herinneringen op aan CocoRosie, maar is toch wat minder memorabel dan de andere twee songs in de set. Want tot slot is er dus nog dat “The Secret Garden”, een en al pompende accordeon en opzwepende strijkers, een wondermooi samenspel tussen Edelweiss en haar bandleden – twee beschaafde Oostenrijkers die het perfecte contrast vormen met de gekte van Edelweiss zelf. Het bouwt maar op en op, met Edelweiss die zichzelf bij momenten zo verliest dat het vals wordt, maar het is net verbijsterend mooi in zijn rauwheid. I Should Have Been Overproduced, heette een van haar EP’s: laat ons hopen dat niemand dat ooit bij deze ruwe diamant probeert.

Maken wij thans even een ommetje langs Lor dat dankzij de wonderen van de techniek uit twee plekken tegelijk verschijnt. Londen en Krakow vermengen zich, en brengen samen het brave liedje “Sun #2”. “Folk”, zo omschrijven de drie Poolse meisjes zich, maar met twee mannelijke gezellen naast zich – blij te zien dat de Oostblokse kappers nog steeds voor “ráár” gaan – klinkt het meer als XX in akoestische doen. Daar komen ze zelfs mee weg, want de piepjonge Jagoda Kudlínska heeft een mooie stem, en “Suntescobar” is een mooie, dromerige popsong.  Afsluiter “Bye Bye, Sun Francisco” is zo mogelijk nog wat beter, met een Kudlínska die mooi de diepere regionen van haar stem verkent en een ukulele die vrolijk huppelend zijn ding doet. Alleen die ongemakkelijke handklapjes halverwege voelen wat geforceerd aan, maar dat willen we nog vergeven: deze band is zo jong dat groeipijnen onvermijdelijk waren.

En nu we even onder ons zijn, snel een vraagje. Willen we dramatische eightiespop? Oh ja! Wanneer willen we dat? Nu! En mag dat uit Bulgarije zijn? Goh, wel, allez, vooruitkomaandanmaar. En zie: Hayes & Y doen iets moois met een halve melodie die ze van The Strokes “Under Cover Of Darkness” hebben gepikt, en leveren met “Always So Simple, Always So Cold” de beste popsong van deze Eurosonic-editie af. Het stinkt naar New Romantics, maar dan zonder haargolf en mét klein pornosnorretje, en dat, vinden wij in deze januari 2021, volstrekt acceptabel. Rare tijden? Goh. Vindt u?

Vorig jaar mochten we in de Vera verdwalen in het sprookjesbos dat Manon Meurt heette, dit jaar is het aan het Uniforms om dit festival van wat dromerigheid te voorzien. Tegen een achtergrond die een fortuin aan aluminiumfolie moet hebben gekost, meandert het Spaanse viertal tussen shoegaze en droompop, en dat doet het goed. De pedaaltjes worden ingetrapt net voor de boel dreigt te verzanden, De Melodie wordt hoog in het vaandel gevoerd. En zo is “Semana Satán” een bewerende opener waarin de groep al eens aan het lijzige van Warpaint doet denken, laat “Brazil” met vinnig snarenwerk het geweld openbarsten, en heeft frontvrouw Annie Ruiz in “Serena” iets van Hope Sandoval. Als het al weinig vernieuwend is, dan in elk geval troostend in deze kille winterdagen, en we willen deze zomer gerust eens testen of het dan ook iets doet.

We steken de grens over naar buurland Portugal, waar we Marinho tegenkomen, die met haar muts en grote bril in een generisch indiebandje had kunnen zitten. Niets daarvan: dit blijkt zowaar alt.country te zijn, een genre dat je op Eurosonic (en daarbuiten) niet zo vaak meer tegenkomt. Het is geen onprettig weerzien, al duurt het wel even voor ze ons helemaal mee heeft. In “I Give Up And It’s Okay” is Marinho’s zang nog veel te flauw en afgeknepen, tot ze in het refrein van “Begging The Love Out Of A Woman” wat lager gaat, en plots over een countrysnik blijkt te beschikken die rakelings langs The Walkabouts scheert. Haar band kleurt alles uiterst smaakvol in, zonder al te veel tierlantijntjes, maar net daardoor klinkt het warm en vertrouwd. In “Window Pain” gaat het er al iets minder beschaafd aan toe, met een gezellig hobbelpaardjesritme en een vrolijke “yeehaw” die de alt. helemaal uit de country haalt. Nooit geweten dat Lissabon zo dicht bij Nashville lag.

Voor de tweede ronde van “Waar is het opnamebudget naartoe?” gaan we naar Drew Sycamore. Lijkt de Deense op plaat al klaar om de wereld te veroveren met popnummers van de Carly Rae Jepsenschool, dan staat ze hier wel heel minimalistisch te wezen, met enkel akoestische gitaar als back-up. Die begeleiding geeft een Melissa Etheridge-achtige draai aan “Take It Back”, waardoor het nummer nogal snel verzandt in saaie, doorsnee gitaarpop die de ietwat beperkte tekst genadeloos blootlegt. “I Wanna Be Dancing” (wie niet!) is sowieso haar sterkste song, en blijft dus beter overeind, maar ook hier missen we het springerige enthousiasme van de plaatversie. Als Sycamore met deze bescheiden opstelling wilde bewijzen dat ze meer is dan een product op maat van Spotify, dan is dat maar half gelukt: de uitstraling en de stem heeft ze al, maar om daar een echt boeiende live-act van te maken, zal ze nog een tandje (of toch minstens een synthesizer) moeten bijsteken.

En dan nu: een klein uurtje rock-‘n-roll in verschillende gedaantes. Te beginnen met Drens, een Duitse surfpunkboysband in matching rode shortjes en sportsokken. “HI EUROSONIC FESTIVAL WE ARE DRENS HOW YOU DOING OUT THEEEEEEERE”, schreeuwt hun zanger, alsof we niet allemaal in de zetel liggen te lummelen op deze donderdagavond. Drens is in ieder geval van plan er alles aan te doen om dat euvel te verhelpen, en heeft daarvoor een handvol rammelende, hyperenthousiaste en er af en toe flink naast gespeelde nummers meegebracht die de mosterd halen bij Black Lips en Wavves – maar dan zonder zee, want ja, Dortmund. De overstuurde gitaarpret van “Record Store” doet ons alvast blij opveren, en ook “Saditsfiction” (dat onsubtiel leentjebuur speelt bij “Echo Beach”) is rotaanstekelijk, maar al dat plezier kan toch niet helemaal verhullen dat hun grote voorbeelden dit soort nummers eigenlijk veel beter uitvoeren. Nog even terug naar de garage dus, en volgend jaar gewoon opnieuw proberen.

Wie van plan is de set van Pódium nog eens te bekijken, kan vooraf maar beter een pilletje tegen duizeligheid innemen. Wij keken live, en werden dus lichtjes ongemakkelijk van de alle kanten opdraaiende montage die deze jakkerende punkband in elkaar knutselde – geen gewoon concert, maar eerder een videoclip waarin elk groepslid dubbel te zien is, de cameraman vrolijk door het beeld host en te midden van dat alles: frontvrouw África Mansaray, die al even hypnotiserend is als de optische illusie op de achtergrond, en op onnavolgbare wijze de boel bij elkaar schreeuwt. Ons Spaans is niet al te best, maar we vermoeden niet dat “Todo Lo Que Quiero” en “Siempre Mal” tedere liefdesliedjes zijn, tenzij Mansaray haar gevoelens graag op agressieve wijze kenbaar maakt. Het is gooi- en smijtwerk van de betere soort, met invloeden vanuit de hardcore maar net zo goed een vleugje surf, aan een tempo dat deze Eurosonic waarschijnlijk niet meer te evenaren valt – langer dan twee minuten hoeft een nummer voor Pódium niet te duren. Dat is ook ruim voldoende: na zes nummers op een dikke elf minuten zijn we op bevredigende wijze platgewalst door Mansaray en haar mannen.

Dat is dan buiten Joe & The Shitboys gerekend: deze heren huldigen duidelijk ons cafémotto – “Nog eentje? Nog eentje!” – en winnen met een whopping 13 nummers alsnog de medaille voor meeste songs in een kwartier. Bovendien nog nooit zoveel titels in ons boekje genoteerd als bij dit voor driekwart in salopettes gehulde viertal – persoonlijke favorieten: “If You Believe In Eating Meat Start With Your Dog”, “Closeted Homofobe” en “Manspredator”. U raadt het al: dit is een Band met een Boodschap. Eentje met een redelijk, euh, unieke USP ook: ze zijn naar eigen zeggen de enige biseksuele, vegan punkband uit de Faeröer. Dat minstens één element uit die opsomming wat moeilijk ligt in de conservatieve thuisbasis van Joe & The Shitboys, zou kunnen verklaren waarom hun set in de Groningse Vera is opgenomen, maar het is vooral ook de aanleiding voor een spervuur aan geëngageerde onnozeliteiten, getoonzet op rammende rechttoe-rechtaan punk. Dat levert zelden meer dan een half goed nummer op – kan je iets van 15 seconden überhaupt nog zo noemen? – maar het is toch iedere keer weer reikhalzend uitkijken naar de bon mots die Joe uit zijn mouw schudt. Misschien is de grap er na de tweede keer wel af, maar Joe & The Shitboys lijkt voorlopig nog niet écht uitgeraasd te zijn: dat maakt op zijn minst nieuwsgierig naar de volgende 13 titels.

Vorig jaar rond deze tijd waren we nog aan het grijnzen bij dat Molchat Doma dat zo hard Alles Van The Cure had gepikt om er zijn eigen ding mee te doen doen. Elf maanden later ontdekten we dat de Wit-Russen zo toch een verdomd leuke plaat hadden gemaakt. Frontman Egor Shkutko weet dat, denken we, want voor Nürnberg er aan begint komt hij ze even aanprijzen en het stokje doorgeven. Jammer dus dat zijn vrienden er net iets minder van  bakken. Alles lijkt nog meer van The Cure gepikt, meer bepaald uit het Faith-tijdperk, en deze keer wringt het toch een beetje. Dat de setting waarin de groep speelt doet denken aan de goeie ouwe BRT van de jaren tachtig maakt het natuurlijk ook te gemakkelijk om flauwe Oostblokmoppen te maken – we accepteren graag het pluimpje omdat we dat net als gisteren niet doen. En dan klikt het alsnog: afsluiter “Biessensounasc” is dan toch een nummer dat ietwat blijft plakken; een riedeltje dat in het hoofd blijft rondzingen, een baslijn die je bij de ballen pakt. Lap, straks wordt Minsk alsnog het nieuwe Seattle of zo. In deze tijden kunnen we niets meer uitsluiten.

Dus: nog eentje?
Nog eentje!
In de Knarie?
Ah. Kak.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

20 − 6 =