Pom :: Piet Pienter en Bert Bibber – Integraal 4

Met de heruitgave en bundeling van oude jeugdstrips zien uitgeverijen de kans om ook stil te staan bij de ontstaansgeschiedenis ervan en hoe ze verder evolueerden, al dan niet door een wissel in senaristen/tekenaars. Voor reeksen als De Rode Ridder, Nero en Yoko Tsuno lijkt er voldoende materiaal voorhanden te zijn om elke bundel te vullen met wetenswaardigheden en invalshoeken. Maar voor Pom, zo kan het niet genoeg herhaald worden, ligt het heel anders. De in zichzelf gekeerde stripauteur had geen zin om ook maar iemand in zijn kaarten laten kijken en had dan ook een broertje dood aan journalisten.

De vierde integrale van Piet Pienter en Bert Bibber maakt na de eerder schaarse gepubliceerde interviews zoveel duidelijk met het inleidende artikel over Poms moeizame houding tot journalisten. Toch lijkt de brombeer een kleine groep getrouwen telkens weer toe te laten in zijn wereld die, zo blijkt uit de anekdotes, gedurende decennia nauwelijks wijzigde en de paradox toont van iemand die zijn ziel blootleggen wil maar terzelfdertijd er als de dood voor is dat iemand erover zou schrijven. Niet geheel verwonderlijk is Theo Flitser, de journalist annex fotograaf, die in menig avontuur van Piet Pienter en Bert Biber er ongewild de oorzaak van is dat individuen met kwade intenties op het spoor gezet worden van Bibber en Pienter of – wat vaker het geval is – professor Kumulus. Met alle gevolgen van dien.

Flitser zal een niet onbelangrijke rol spelen in De verborgen schat, het derde verhaal in deze integrale, dat start met Het straalgas-mysterie. In dit veertiende verhaal speelt Pom opnieuw met namen en verhaallijnen, waarbij ditmaal een verdovend gas centraal staat. Naast Pienter en Bibber spelen ook professor Kumulus en Susan een belangrijke rol, die laatste wordt immers (nog maar eens) ontvoerd, waarna het uiteraard aan Piet en Bert is om de zaak op te lossen. De schurken achter de ontvoering maken gebruik van een soort slaapgas dat per toeval in de handen valt van Bert Bibber (de scene in kwestie is doorspekt met karakteristieke Pom-knipogen). Daarna gaat de bal aan het rollen. Naast professor Edelgas werkt ook professor Kumulus aan een tegenmiddel, wat samen met de eerder geïntroduceerde ‘krachtpillen’ en de antigraviteitsgenerator de belangrijkste hulpmiddelen voor beide helden zullen zijn.

Al snel in het verhaal wordt duidelijk wie het meesterbrein achter het straalgas is, waardoor het verhaal zich veeleer afwikkelt als een kat-en-muisspel. Door het ‘mysterie’ snel te onthullen, geeft Pom zichzelf de vrijheid om in te spelen op toevallige gebeurtenissen en daarbij de nodige (achtergrond)grappen en knipogen binnen te smokkelen die het verhaal meerdere leesbeurten amusant houdt. Zoals steeds zijn de vertegenwoordigers van de macht daarbij kop van jut, al blijft ook hier Pom eerder subtiel in zijn kritiek en karakterisering. In De Barbier van Bombilla is hij alvast op dat vlak minder fijnbesnaard. Net zoals in zijn eerdere verhalen die zich afspelen in Zuid-Amerika kiest hij hier voor een duidelijkere aanval op het leger en dictatoriale besturen.

Nadat professor Kumulus de prestigieuze ‘Prutser-prijs 1960’ gewonnen heeft, wordt hij door generaal Carne de Cordero uitgenodigd voor enkele lezingen in Bombilla. Uiteraard heeft de dictator andere motieven, met name Kumulus ervan overtuigen wapens voor hem te maken, maar Kumulus vertrekt desalniettemin, nietsvermoedend. Pienter en Bibber slaan, hun laatste aanvaring met de generaal in het achterhoofd, wijselijk de uitnodiging van de professor om hem te vergezellen af. In de plaats daarvan trekken ze samen met Susan wel naar het buurland San Doremi. Het idee is om zo toch een oogje in het zeil te kunnen houden en de professor daar op te wachten na zijn bezoek aan Bombilla. Wanneer een dubbelganger van Kumulus in San Doremi landt, besluiten Piet en Bert illegaal naar Bombilla te reizen.

Susan achtervolgt hen en zal ondanks het ongeloof van Pienter en Bibber meer dan eens de reddende engel zijn die niet alleen beiden uit de penarie helpt maar ook een belangrijke rol speelt in de bevrijding van de professor. De strip is met andere woorden voornamelijk een avonturenverhaal geworden, al weerhoudt Pom dat er uiteraard niet van om in zijn gekende stijl de nodige grappen in het verhaal te steken zonder dat het ooit ongeloofwaardig of ridicuul wordt. Zelfs in de manier waarop het verhaal eindigt en het lot van de generaal en zijn rechterhand uitgetekend wordt, weet hij niet alleen een bevredigend einde aan het verhaal te breien maar ook de draak met wisselende regimes te steken. Na zoveel avontuur grijpt Pom met De verborgen schat terug naar het eerder in Het Handelsblad verschenen gelijknamige verhaal, dat hij evenwel grondig herwerkt.

In het oorspronkelijke verhaal krijgt Bert Bibber een document in bewaring van een oudere man die kort erna ontvoerd wordt. Het document blijkt de vindplaats te onthullen van de schat van struikrover Gutmans, waar ook andere partijen op azen. In de herwerkte versie is het allemaal veel onschuldiger en komt een zekere Jacobus Slurf te weten dat zijn schatrijke oom Hilarius hem enkel zijn vierdelig werk over poezen nagelaten heeft. Een woedende Slurf gooit de boeken bij het afval waarna de eerste twee delen via een boekenverkoper in de handen van Bert Bibber terecht komen. Tussen de bladen van de vier boeken heeft de oude Slurf echter aanwijzingen nagelaten rond waar zijn schat te vinden is. Een luistervinkende Theo Flitser wordt op een vals spoor gezet al blijken de aanwijzingen uit de brieven van Slurf eveneens op niets uit te draaien.

In tussentijd is Jakobus Slurf echter ook op de hoogte van de brieven en besluit hij samen met de boekenhandelaar zelf naar de schat op zoek te gaan. De dwaalsporen van Hilarius nopen hen er echter al snel toe niet langer Piet en Bert te volgen maar met de hulp van een `zwen- en pendelaar` zelf de schat te vinden. Enkele vruchteloze pogingen van beide partijen later, ontdekt Piet hoe de documenten te lezen maar door stom toeval komt die informatie ook bij Slurf terecht waarna de poppen aan het dansen gaan en een strijd om de erfenis losbarst. Het verhaal zelf heeft qua plot weliswaar minder om het lijf maar de manier waarop Pom de belevenissen van zowel Pienter en Bibber uittekent als die van Slurf en zijn kompaan zorgen voor meerdere glimlachen. Bovendien laat hij van bij de start enkele belangrijke tips vallen die pas bij de laatste afwikkeling van het verhaal duidelijk worden. Verhaaltechnisch is Pom dan ook in topvorm, de manier waarop hij met het klassieke schattenjagersidee speelt en naar de hand zet, toont opnieuw een meesterschap.

Ook in het laatste verhaal uit de bundel mag van een Pom in topvorm gesproken worden. In De vloek van Toetan Kanon duikt professor Snuffel nogmaals op. Vorsmans, een collega van hem, heeft tijdens opgravingen in Akhabakhadar een mysterieuze ziekte opgelopen en Snuffel wil samen met Piet en Bert erheen reizen om het raadsel op te lossen. Bibber zelf weigert vanwege de vloek die volgens hem over de expeditie hangt maar verandert snel van mening wanneer Susan laat weten daar op bezoek te zijn bij Ibn Ben Zhine (die net als het land geïntroduceerd werd in Storm over Akhabakhadar). Waneer de groep samen met Vorsmans assistent Schraap naar de opgraafplek trekken worden ze door de plaatselijke bevolking weinig warm onthaald.

Al snel blijkt er meer aan de hand te zijn uiteraard, niet alleen verbergt Schraap een geheim maar wordt Susan ook nog maar eens ontvoerd door een plaatselijke mensenhandelaar, wat haar overigens doet verzuchten dat ze het beu is in elk verhaal ontvoerd te worden. De tweede helft van het verhaal speelt zich af in eigen land waarbij nieuwe slachtoffers van dezelfde vloek vallen, zij het dat het ditmaal bankiers, juweliers en dergelijke zijn. Piet Pienter, die de oorzaak van de vloek achterhaald heeft, schakelt professor Kumulus in waarna hij samen met Bert voor gerechtigheid zorgt, terwijl een zoals steeds blunderende Knobbel met de eer gaat lopen.

Wat voor de vorige bundel opgeld maakt, kan evenzeer over Integraal 4 gesteld worden: Pom is in deze jaren in goeden doen. Als geen ander weet hij klassieke verhaalopzetten als een verborgen schat, een mysterieuze vloek of zelfs corrupte regimes volledig naar de hand te zetten en te spelen met de daar aan gekoppelde conventies. Ook de achtegrondgrappen, de droge humor en uiteraard de vele `interventies` van de tekenaar-auteur alsook de manier waarop hij de vierde muur doorbreekt, ogen zestig jaar later nog opvallend fris en vernieuwend. Hoe nukkig, nors en gesloten de mens Pom ook mocht zijn, als geboren en humoritistisch verteller kende hij zeker in deze periode zijn gelijke niet. De noodzaak van een verdere ontsluiting van zijn werk is met deze integraal dan ook eens te meer bevestigd.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

6 + 3 =