Donder & Apeland :: Het verdriet

Ondanks het feit dat een van de leden in Oslo woont, blijft het trio Donder gestaag verder bouwen aan zijn oeuvre. Dat ging in 2016 van start in murmeljazz-oorden en verschoof nadien naar een even geduldig, maar nog minimaler en meer experimentele richting. Op hun vierde album Het Verdriet halen ze een opmerkelijke stoot uit: samen met de Noorse harmoniumspeler Sigbjørn Apeland duiken ze in de oude Vlaamse volksmuziek. 

Persoonlijke zijstap: in mei van 2015 was ik enkele dagen in Trondheim voor een aantal concerten. De dag dat we terug naar huis keerden, zondag 17 mei, kreeg onze ochtendwandeling naar de bushalte iets surreëels. Het was de Noorse feestdag en zo ver je kon kijken, zag je parades en rood-wit-blauwe-vlaggetjes. Artiesten die een avond eerder nog duistere drones en vrije muziek maakten, stapten breed lachend mee in het feestgedruis, samen met hun familie, gehuld in traditionele klederdracht. Het is iets waar velen van ons met een zekere argwaan of zelfs huivering naar kijken. Parades, dat is dezer dagen vooral iets voor toeristen en enkele hardnekkige royalisten die nog een portret van Koning Boudewijn in de huiskamer hangen hebben. De Vlaamse traditie, die is misschien zo sterk gemonopoliseerd door de Vlaamse Beweging dat je, uit smetvrees, je afstand bewaart.

Nochtans vallen culturele eigenheid en politiek best van elkaar te onderscheiden. En als horden muziekliefhebbers hoog oplopen met het pionierswerk van folklorist en archivist Alan Lomax, waarom zou dat dan ook niet kunnen bij onze vertegenwoordigers. De nieuwsgierige muzikanten van Donder konden zo beschikken over opnames die in de jaren dertig en veertig werden gemaakt door mensen als Pol Heyns, volkskundige en jarenlang reporter bij de openbare omroep. Idem voor Herman Dewit, misschien wel dé pleitbezorger van de Vlaamse volksmuziek, Paul Collaer en enkele anderen. Oorspronkelijke field recordings vormden de voedingsbodem voor een handvol bewerkingen die worden gecombineerd met eigen materiaal dat daarop geënt is. Dat wordt tenslotte aangevuld met een stuk van Renaissance-componist Carlo Gesualdo en de Noorse versie van “Lead Kindly Light”, van de 19de-eeuwse componist Charles Purday.

Opvallend is ook dat Donder zich hiervoor liet bijstaan voor een expert. Harmoniumspeler en organist Sigbjørn Apeland was de eerste Noor om een doctoraat behalen in de etnomusicologie en een van de vele hedendaagse muzikanten uit het land (zie o.m. ook Christian Wallumrød en Nils Okland, een van zijn partners in het trio 1982) om aan de slag te gaan met traditionele muziek vanuit experimentele hoek. Door de toevoeging van zijn instrument, dat door die balgen herhaaldelijk neigt naar een accordeon of orgel, verschuift de klankkleur van Donder meteen al een beetje richting traditionele muziek, maar de band blijft toch een heel eigen insteek hanteren. De melodieën van “Daar zat een sneeuwwit vogeltje” en “Mijne Jan”, vermoedelijk de bekendste songs op Het Verdriet, zullen door sommigen, vermoedelijk vooral veertigplussers, ongetwijfeld herkend worden, maar worden onalledaags ingekleurd met piano (Harrison Steingueldoir), bas (Stan Callewaert) en drums (Casper Van de Velde).

Wat dat betreft hanteren de muzikanten natuurlijk een insteek die ze kennen vanuit de jazz en geïmproviseerde muziek. Zelfs als je werkt met materiaal dat melodisch en harmonisch min of meer vastligt, kan je het nog naar je hand zetten. Het zijn springplanken die aangegrepen worden ter verdere exploratie. De stukken blijven dan ook een spontaniteit en openheid bewaren, vaak met een fraaie combinatie van beweeglijkheid en houvast, die vaak wordt aangeleverd door de lang aangehouden, zinderende klankgolven van Apeland. Van De Velde staat het dan weer vrij om te kleuren en accentueren met opvallende variatie. Dat het album werd opgenomen in Hof Bladelin in Brugge (met Christophe Albertijn) draagt vermoedelijk bij tot de sfeer die goed bij deze muziek past. Deze opname, die ver weg blijft van een gladde studioproductie, zet vooral in op ruimtelijkheid, met klanken die kunnen resoneren. Dat procédé kenden de leden natuurlijk van hun tweede album, dat opgenomen werd in een Deense kerk.

Dit nieuwe parcours beweegt zich dan ook langs deze 15 stukken met een combinatie van zwierigheid en statigheid, nu eens met een gemoedelijke, volkse inslag, dan weer met een haast sacrale sfeer van kamermuziek. Stukken als “Een patrijze die vliegt” (let ook op die stemmen), “De zondag staat op” en “Als witte hemden in het licht” lijken gemaakt voor koele, mistige ochtenden op het Vlaamse platteland. Anderen lijken dan weer bijzonder geschikt om bij weg te dromen in een klein kerkje. Maar als Het Verdriet overtuigt met individuele songs (de kans is groot dat eigen stukken als “Brandlucht”, waar Ernst Reijseger en Harmen Fraanje in lijken rond te hangen, en “Polderen” meteen mee uitgroeien tot favorieten), dan doet het dat nog meer als geheel, door dat traditionele materiaal uit diverse bronnen naadloos te laten samenvloeien met eigen inbreng.

Het kan een beetje intimiderend zijn, zo’n reeks van 15 stukken, samen goed voor een klein uurtje muziek, maar het doet ook deugd om eerst de algemene teneur en klankkleuren van Het Verdriet op te slorpen en vervolgens op zoek te gaan naar de nuances, de eigenaardigheden en de manier waarop elke muzikant een evenwaardige, persoonlijke bijdrage levert aan dit samengaan van pastorale kleur en lyrische vrijheid. Dat Donder na Keukenpraat met een album als Het Verdriet afkomt, doet nu al uitkijken naar het vervolg. Het is een intrigerend work-in-progress, met alweer een fascinerende halte om een tijd in rond te hangen.

Intussen blijft het vooral hopen dat de band deze muziek alsnog live kan voorstellen. Afwachten.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

3 + zeven =