Donder & Apeland, Antoine Pierre URBEX Electric, 3Men In A BoaT ft. Louis Sclavis, Richard Galliano New Musette Quartet

10 juli 2021 Gent Jazz

Na de openingsdag viel er wat geëmmer te ontwaren over het dansende volkje dat aan het einde van de TaxiWars-set de beschikbare ruimte gebruikte om de benen te strekken, en vooral ook de reactie van het festival. “Gent Jazz neemt maatregelen tegen dansers” kopte De Standaard een beetje surreëel. Koren op de molen van de vrijheidsliga of zij die er een kans in zagen om de jazzscene na de hippe opmars van de voorbije jaren terug in het duffe hoekje te duwen. Een scheet in een fles, ook. Op 10 juli waren we er vooral voor de muziek, en we waren niet alleen, want van het ontluisterende geroezemoes waar Naima Joris een dag eerder nog mee af te rekenen kreeg viel deze keer weinig te bespeuren. Een dag zonder jazztoeristen, ideaal!

Dag 2 van Gent Jazz, die meteen het label ‘old school’ meekreeg (i.e. geen influencers of verloren gelopen party people te bespeuren), moest het dan ook stellen met luistermuziek. De opkomst was daardoor wat kleiner, maar u kent ons: wij hebben plaats nodig en dat kregen we. En Donder kreeg eindelijk de kans om zijn uitstekende album Het Verdriet voor te stellen, een samenwerking met de Noorse harmoniumspeler Sigbjørn  Apeland uit 2020. Net als die plaat herinnerde ook dit concert meer dan eens aan de hoesfoto van Still, hun in eigen beheer uitgebrachte debuutalbum. Donder maakt muziek op maat van kapellekes, nu meer dan ooit. Het recentste worp was een duik in de Vlaamse volkstraditie, cultureel erfgoed dat stilletjes ondergesneeuwd raakte. Geneurie en geprevel voor peuterige dorpen met bescheiden verwachtingen en duidelijke hiërarchieën. Voor guimauves, rozenkransjes en waggelende oma’s die lang vergeten liedjes zingen.

Eenvoud stond voorop in een set die zonder poeha of overbodige promopraat werd gebracht. Harrison Steingueldoir (piano), Stan Callewaert (bas), Casper van de Velde (drums) en gast Sigbjørn Apeland (harmonium) speelden composities die zacht schuifelend geïntroduceerd werden, bewogen als hymnes, met dat sacrale randje dat ook opduikt bij het trio Reijseger Fraanje Sylla. Maar hier is het nog ingetogener, met melodieën, soms niet meer dan fragiele flarden, die uit de lucht komen vallen en weer vervliegen terwijl de muzikanten in steeds wisselende verhoudingen spelen. Vaak eensgezind, of met een lichte schuring door de combinatie van lange klankgolven en grillige drumpatronen. Soms ook vrij zoekend, met een goedaardige potten- en pannensound, grauwe strijkstoktinten of collectief gestruikel.


Dit concert was eigenlijk voorbestemd om moeilijk te worden. De muziek van Donder hoort thuis in een kleine kerk of verduisterde club, maar zelfs het onophoudelijke geruis van de regen op die XL-tent kon niet voorkomen dat de kleinheid van het kwartet overeind bleef – met die plotse schuchtere zang, met de regelmaat van de klok opduikende déjà entendus en poëtische dromerijen in real time. Favorieten: misschien “Daar zat een sneeuwwit vogeltje” of afsluiter “De zondag staat op”, maar eigenlijk was dit vooral een consistent uurtje, een beetje als ter communie gaan in een eucharistieviering, maar dan zonder de saaie stukken.

Met Antoine Pierre URBEX Electric gingen volume en densiteit meteen een stuk de hoogte in. Alhoewel. Als er iets opviel aan Suspended, het live-album dat Pierre met zijn elektrische band opnam, dan wel dat de man geleerd had om goed om te springen met dosering. Wilde zijn muziek aanvankelijk wel eens gebogen gaan onder zijn gewicht en overvloed aan ideeën, dan liet het album merken dat de overdaad was teruggeschroefd. Met een compacte duur en snuggere opbouw bood het relatief wat ademruimte, terwijl de high energy-passages maximaal konden renderen. En met die combinatie van instrumenten – een afspiegeling van de line-ups van de elektrische Miles van onder andere Bitches Brew – had Pierre een immens potentieel ter beschikking.

De band startte als kwartet, met naast de leider ook nog onvermurwbaar bassist Félix Zurstrassen, pianist Bram De Looze en gitarist Bert Cools. De subtiele sound, met een cruciale plaats voor de atmosferische effecten van Cools, bleef ademen, waardoor trompettist Jean-Paul Estiévenart al snel over de groepssound kon zweven. Met de komst van Frédéric Malempré (percussie), Ben Van Gelder (altsax) en Jozef Dumoulin (keyboards) kon de soep indikken en kreeg je een soort van eb/vloed-beweging van broeierige elektrojazzfunkrock met voodoo-randje, een voluptueuze sound die werd voortgestuwd door motor Pierre en bewoog tussen het sudderen van een ontbeende groove en het vuur van een jachtige drive.


Statige thema’s en ontregelde sound: het zat er allemaal in, met Dumoulins Rhodes, die soms iets had van een walvis met een identiteitscrisis, en Pierre, die à la Steve Reid in een trance zat (de overdaad van zijn solo “Drums Take Over” namen we erbij) en zijn in synch troepen gedreven aanvoerde tot de kolkende epische finale van “Sound Barrier”. Het talent van weleer is intussen een echte patron

Die van 3Men In A BoaT – accordeonist Philippe Thuriot, bassist Kristof Roseeuw, drummer Lionel Beuvens – lieten dan weer horen dat jazzmuzikanten in staat kunnen zijn tot wonderlijke dingen. Een dag eerder vond de kennismaking plaats met de Franse meester Louis Sclavis (klarinet, basklarinet), maar dat volstond om bijna vijf kwartier te spelen op het scherp van de snede. Natuurlijk zit er hier een pak gedeelde geschiedenis in: vooral Thuriot en Roseeuw hebben samen een lang parcours afgelegd, met projecten die behendig tussen jazz, kamermuziek en andere exotische geluiden slalomden. Toch spatte de affiniteit met Sclavis er vanaf. Het kwartet speelde een set die even virtuoos als verrassend was en duidelijk kracht putte uit die korte aanloopperiode.

Het was, zo zou later blijken, ook heel andere muziek dan die van het slotkwartet. Er werd hier gewerkt met passages die inzetten op eenvoud en statigheid. Soms konden ze rollen op potige grooves, maar de composities kregen vaak meerdere gezichten, zorgden voor kwieke wendingen, waarbij ingetogenheid plaats maakte voor zwier, een filmische teneur of een ritmische molen. Natuurlijk had je in die frontlinie – als je ‘t nog zo kon noemen – ook een paar kleppers. Thuriot en Sclavis zijn thuis in vele werelden, waardoor bij de accordeonist regelmatig de invloeden uit de klassiek binnensijpelen en de klarinettist soms klonk alsof hij was gaan studeren in het Midden-Oosten. Roseeuw blonk uit in veelzijdigheid: sterk aanwezig met een volle sound, het hout maximaal benut, maar ook subtiel met texturen en de strijkstok. Beuvens speelde het spel misschien nog het droogst. Daardoor was hij wat minder virtuoos dan zijn gezellen, maar zijn functionele spel blonk uit in houvast en zijn solo was vetvrij.


Het was meer dan voldoende om applaus te laten opstijgen bij heel wat imponerende passages vol buitelende grooves en spannende interactie, waarbij hier en daar spontaan de naam Masada opdook (andere band, maar wel heel even die bevlogenheid) en op andere momenten de spanning van het moment voelbaar werd. Sclavis houdt er zelf ook een paar bands op na die tussen de werelden rondhangen – niet in het minst dat bejubelde trio met Texier en Romano, maar met deze drie Belgen werd het weer helemaal anders. Scherp, fris en verrassend.

De slotact – Richard Galliano New Musette Quartet – werd redelijk laat toegevoegd en verkeerde in een verwante wereld. Hier werd het verschil met de vorige band al snel duidelijk. Dit is immers een gerodeerde festivalact en die speelt heel anders. De accordeon van Galliano was front & center, en de schuifknoppen gingen allemaal omhoog, wat ook leidde tot gekraak dat nu en dan de kop opstak. Dit was vooral een groep die er stond als een brok graniet en een set speelde die tot in de puntjes verzorgd was, met in de kop een solorecital van Galliano, die het pionierswerk van figuren als Gus Viseur tot een nieuw niveau van virtuositeit stuurde. Dat klonk bij momenten behoorlijk overdonderend, had iets van acrobatische gitaar shredders, maar dan op ‘le piano du pauvre’.

Volkse muziek, net als bij Donder & Apeland, maar wel met een andere sfeer. Denk aan Cartier-Bressons legendarische foto van het ventje met de twee flessen wijn. Het is die vibe: frivool, speels en onbekommerd, weggegrepen uit de Parijse cafeetjes van weleer en alles dat daarbij hoort: schmalzy ballades, wulpse musettewalsjes, glasgerinkel op de achtergrond. Ooit de geur van Gauloises. Gitarist Jean-Marie Ecay soleerde lustig mee, soms lekker bluesy en wat herinnerend aan de sound van Philip Catherine, die hem ooit nog voorging, terwijl bassist Bruno Rousselet zorgde voor een onaflatende, potige stuwing en drummer Jean-Christophe Galliano het spel doorgaans straight speelde.

Het was een klassieke festivalset, met een stukje Hermeto Pascoal (“Bebê”) dat op de heupen mikte, een ode aan Toots Thielemans en een flard “Je cherche après Titine” (Chaplins nonsenssong uit Modern Times). Het klonk virtuoos, gespierd, bijna patserig, maar eigenlijk ook ingestudeerd. Het zat allemaal zo strak en zo juist in elkaar (met krappe finales die steeds opnieuw op een wat goedkoop bombast-effect mikken) dat voelbaar werd dat er vaak amper sprake was van improvisatie, laat staan van de spontaniteit die het concert van 3Men In A BoaT & Sclavis zo bijzonder maakte. Bruut geweld, zij het van de zwierige soort en op maat van een breed publiek. Misschien wel een toepasselijk uitroepteken achter een dag die liet horen dat je als festival al ver geraakt met Belgische jazz, ‘old school’ of niet.

Tussen de concerten werd ook nog de ‘Jong Jazztalent Gent’-prijs uitgerekend. Die ging naar de 27-jarige tromboniste Nabou Claerhout. Ze krijgt 10.000 euro om haar droomproject – een ensemble met 6 trombonisten – te realiseren en treedt daarmee in de voetsporen van onder meer Robin Verheyen, De Beren Gieren, Nathan Daems, Steiger en BRZZVLL. Het project wordt in de zomer van 2022 voorgesteld op Gent Jazz.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

tien + negen =