Algiers :: There Is No Year

“Run around / Run away from your America / While it burns in the streets / I been here standing on top of the mountain / Shouting down what I see”. Een protestband mag je hen niet noemen, maar de essentie bij Algiers blijft: de wereld is kut, en veel valt daar niet aan te doen. Voor een goeie soundtrack hebben ze alweer gezorgd.

Een regel vooraf: over Franklin James Fishers zwarte afkomst wordt niets meer gezegd. Dat is duidelijk sinds stand-alonesingle “Can The Sub_Bass Speak?” vorig jaar werd gelost. In dat nummer – heftige jazz, flarden noise – herhaalde de frontman alle onnadenkend commentaar dat hem ooit werd toegeworpen, gaande van “You look like Denzel Washington” tot “You ain’t got gold in your mouth / Nigga, you ain’t never been in jail / You’re too old and too inauthentic”. Opdat nooit nog een witte journalist het in zijn hoofd zou halen om weer maar eens een dwaze, van weinig kennis getuigende vraag over zwart zijn te stellen.

Ook het geluid van de groep komt in die single aan bod. “What is this fusion? / Man, it’s more like confusion / I like the punk but I don’t like the soul / I like the soul but I don’t really like the punk”. Ook op derde plaat There Is No Year is Algiers niet bereid u daarin tegemoet te komen. Het ingeslagen pad dat van The Underside Of Power drie jaar geleden een hedendaagse klassieker maakte wordt koppig verder bewandeld. Is het punk? Is het soul? Is het industrial? Neen, het is een fucking vogel, ga naar iets anders luisteren als je vragen hebt. Het is Algiers.

Dit is nu, en nu is dit in de wereld van dit multinationale viertal: onrust, onbehagen. Fisher spreekt zijn Apocalpytisch nog steeds vloeiend. “Now it’s two minutes to midnight / And they’re building houses of cards / And we’ll spiral out until the day we all fall”. Zo begint There Is No Year, en meteen ook “Misophonia”, een lang gedicht dat Fisher schreef en waaruit hij alle teksten voor deze plaat haalde. Het draait minder om politiek dan op die voorganger, maar de wereld vandaag blijft een schaduw boven elk woord. Alleen gaat het hier meer over wij, die daarin leven. Wij die het ook allemaal niet weten.

En dus raast Algiers niet meer. De sfeer is er meer één van angst en gelatenheid. In de titeltrack mag vellenslager Matt Tong nog even van de leiband en klinken de backingvocals als een losgeslagen chain gang, daarna zakt het tempo even met elk nummer. Op single “Dispossession”, waarin Fisher een vocale prachtprestatie neerzet, moet gitarist Lee Tesche niets méér doen dan een discrete zaagmachine onder de toetsen van de zanger stoppen.

Halverwege haalt There Is No Year opnieuw snelheid. Een drumcomputer zit “Unoccupied” van bij de start achter de veren, en tegen “Chaka” mogen we opnieuw dansen. Er zitten echo’s uit eightiesdisco in – die synths! –, de samenzang “you keep coming on / you keep on coming on” doet denken aan het koor van geesten uit “Cleveland”, het hoogtepunt van The Underside Of Power”, de beentjes voelen de geest van eeuwen zwarte geschiedenis. Misschien kan een blanke niet begrijpen wat het allemaal betekent, maar even misschien slaagt Fisher er op zijn minst in iets voelbaar te maken.

En welja, als we ‘t dan toch in stukken genre moeten gaan opdelen, dan overheerst op There Is No Year bij momenten meer de soul dan de punk. “Hour Of The Furnaces” is weer zo’n nummer waarin Fisher maar zijn mond heeft open te trekken om je te doen luisteren, in “Repeating Night” waart helemaal de geest van Otis Redding rond. “In de zwarte gemeenschap klink je maar beter als D’Angelo voor je jezelf een zanger noemt”, schertste hij lang geleden. Fisher heeft geen Black Messiah in zich zitten. Hij is wel: Een Stem. Fisher kan fluisteren, schreeuwen en zingen, en in elke modus heeft hij je bij het nekvel. Omdat hij iets te vertellen heeft. En dat is belangrijker dan technisch perfect fröbelen.

Maar het is ook wat de band daar onder en rond doet, die de essentie van Algiers maakt. Het sissen en tikken van de drumcomputer en Tong (je weet nooit wie wat doet), het onorthodoxe snarenwerk van Tesche, de baslijnen van Ryan Mahan. Het wringt zich nooit naar de voorgrond, ze voelen bijna afwezig, maar onderhuids zijn ze er voortdurend. Luister maar naar “Losing Is Ours”, een stapvoetse ballad waarin bijna niets lijkt te gebeuren, en het tegelijk nooit rustig is.

Het afsluitende “Void” is een wegwerptoevoeging – bij de vinylversie van de plaat is het enkel als apart singletje te krijgen – maar des te meer nodig. Na alle unheimlichkeit die voorafging voelt deze net-geen-drie-minutenpunk als een bevrijding. “Got to find a way / To get out of this”, schreeuwt Fisher over onmogelijk bij te houden punkdrums, en dat doet deugd. Het is nog heel even schoppen en stampen, in het aanschijn van alle ellende. Onmachtig verzet, maar wel: verzet.

“Ze overdrijven.” “Het is te veel.” “De teksten zijn te algemeen.” “Ze zijn te radicaal”. Allemaal kritiek op Algiers, al van bij album één. Het is allemaal zever. Dit is de belangrijkste band van dit tijdsgewricht, zo ongeveer de enige die de vinger nog durft te leggen waar het schrijnt, en die dat op de spannendste muziek in jaren doet. There Is No Year is de volgende steen in een indrukwekkend oeuvre in aanbouw.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × vijf =