Walter Broes & The Mercenaries :: Movin’ Up

Het einde van The Seatsniffers betekende een aderlating voor de Belgische rock-‘n-roll, maar nu is er weer wat goed nieuws voor wie de band ooit genegen was: voorman Walter Broes is terug. En hoe! Met een nieuwe band en een verzameling songs die nog maar eens onderstreept dat onze favoriete vetkuif er een is met internationale allure.

De vergaarbak van rootsgenres waar Broes & co zich van bedienen, heeft altijd iets door en door Amerikaans gehad. Muziek met diepreikende wortels waarvan weleens wordt beweerd dat je er als niet-Amerikaan, laat staan als anderstalige, weinig uitstaans mee hebt. Onzin. We herinneren ons nog de waffel die “Assembly Line” exact twintig jaar geleden uitdeelde, en de ravage die The Seatsniffers aanrichtte. Dit was furieuze rootsmuziek, uit de schoot van rockabilly en blues, maar met de urgentie van punk. De 10” release I’m Ready speelden we niet grijs, maar wit. Gaandeweg werd duidelijk dat The Seatsniffers zijn speelzone gestaag bleef uitbreiden, met knikjes gospel, soul en country, en daardoor niet enkel herinneringen opriep aan Johnny Burnette, maar ook de (vroege) Fabulous Thunderbirds, The Blasters en The Possum, George Jones.

Op het zelf geproduceerde Movin’ Up zet Broes die vanzelfsprekend gulzige koers verder met bassist Bas Vanstaen en drummer Lieven Declercq. Het is een trio dat je in een tijdspanne van 11 songs en 35 minuten zowat alle hoeken van de rootskamer laat zien. Zo is single “Downtime” meteen goed om je naar cowboyland te voeren (en ergens vloeit er iets van T-Bone Walker of Hank Williams uit een transistorradio), waar The Supersuckers nog uithingen op Must’ve Been High, inclusief huilende pedal steel (Tom Vanstiphout) en backing vocals (Ruben Block). En dat met een warme en krachtige productie, waarin alles mooi tot z’n recht komt, inclusief Broes’ zwaar onderschatte gitaarspel.

Hoor maar eens hoe hij zich door het titelnummer of “Don’ You Ruin My High” (inclusief lekker pompende sax van Roel Jacobs) een weg baant door territorium dat verwant lijkt aan de springerige blues van wijlen Hollywood Fats of Junior Watson, en hoe hij zich in “Come On Down” nog eens bewijst als de Belgische verwant van Dave Gonzales van The Paladins. Onweerstaanbaar coole stuff op het kruispunt van de rootsgenres, die gewoonweg vraagt om lome zomerritjes en hitsige after parties. En dat is nog maar het begin van een gevarieerde trip die eigenlijk aanvoelt als Roots Songwriting 101. Broes laat gewoon geen steken vallen.

“Closed” teert op een ridicuul catchy zanglijn, in “Sideshow” duikt de rauwheid van Hound Dog Taylor op, en “You And Me” kan zo mee met het beste van The Blasters. De rootsrockaanval wordt hier en daar onderbroken voor een stilistisch zijstapje, zoals het exotica-getinte “Man Child”, de Diddley-beat van “I Got My Own Kick Going” (van de wat vergeten Ronnie Self), en het vederlicht klinkende “Black Star”, in 1960 al vereeuwigd door Elvis, en hier uitgevoerd met de hulp van de immer charmante Chantal Acda. Zo geslaagd dat er ooit een duettenreeks van zou moeten komen.

Kortom, hierboven herhalen we wat we eigenlijk al wisten: Broes slaagt erin om muziek die vaak wordt geassocieerd met nostalgie, rednecks en retrofuiven helemaal naar z’n hand te zetten en een frisse injectie te geven. En als we met al dat namedroppen al de indruk zouden geven dat het allemaal wat derivatief is: think again. Het is een lange traditie waar Broes intussen zélf deel van uitmaakt. Dit zijn elf steengoede songs, uitgevoerd door uitstekende muzikanten, en daar hoeft geen pejoratief label op gekleefd te worden. Dit is een plaat die doet dansen, verleiden (of toch een poging doet tot), feesten, lachen en plannen maken. Van hoeveel muziek kan je dat zeggen? Juist.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

5 × vier =