Faun Fables :: Born Of The Sun // Arc Iris :: Moon Saloon

De folk uit die magische jaren rond 1970 blijft intrigeren. Sinds de eeuwwisseling dook ze om de zoveel jaar wel in een of andere gedaante terug op. De manier waarop Faun Fables en Arc Iris er tegenwoordig mee aan de slag gaan, hebben we een tijdje terug al iets te vaak gezien.

Ga maar na: eerst was er de freakfolkbeweging van zelfverklaarde “eeuwige kinderen” Devendra Banhart, CocoRosie en Joanna Newsom (al kan over de plaats van die laatste gediscussieerd worden). Zij vonden inspiratie bij de Britse psychfolk en redden muzikanten als Vashti Bunyan en Bert Jansch van de vergetelheid. Toen die beweging volwassen begon te worden (toch niet zo eeuwig als eerst gedacht, dus), was er plots Fleet Foxes met zijn meerstemmigheid, die rechtstreeks in verbinding stond met de stemmen van Crosby, Stills and Nash. En tegenwoordig schreeuwen zowel nieuwkomers Ryley Walker en Jake Bugg als oude rotten zoals Beck in het rond hoezeer ze niet beïnvloed geweest zijn door de jazzfolk van John Martyn en Tim Buckley.

Ook Dawn McCarthy en Arc Iris lijken zo allebei in het verkeerde decennium geboren. Die eerste, die samen met Nils Frykdahl de spil vormt achter Faun Fables, is een restant van die vroege freakfolkbeweging. Nooit zo doorgebroken als Banhart of Newsom, is zij wel het meest trouw gebleven aan de klank van toen. Het meeste bekendheid verwierf ze misschien wel toen ze aan de zijde van Will Oldham een hommage aan de Everly Brothers bracht op What The Brothers Sang uit 2013. Faun Fables bracht dan weer sinds 1999 traag maar gestaag een zestal albums uit. Daarop grepen McCarthy en Frykdahl even vaak terug naar oude traditionals als dat ze eigen songs bij elkaar schrijven. Daarin verschilt ze van Arc Iris, die wel enkel eigenhandig in elkaar gestoken nummers op plaat gooit. Wat ze wél gemeen hebben: beiden zijn het folkmeisjes die in se akoestische folkliedjes maken, maar die vervolgens volproppen met kierewiete arrangementen.

Faun Fables blijft daarin heel dicht bij haar roots liggen en is het meeste blijven plakken in het geluid van de freakfolk van tien jaar terug. Het is dus geen wonder dat haar nieuwste, Born Of The Sun, ondanks alle leuke deuntjes toch wat gedateerd aanvoelt. Zij is niet zoals Newsom of Alela Diane, die ook al weer even haar lange haren ingeruild heeft voor een op maat van de volwassen mensenwereld gesneden coup, haar oude geluid ontgroeid. Maar uiteindelijk is niet dat ietwat belegen geluid dat haar de das omdoet (een trip down memory lane kan ook eens fijn zijn). Wél dat haar zesde onder haar eigen gewicht bezwijkt. Faun Fables is er blijkbaar heilig van overtuigd dat elke hoekje en gaatje van iedere song volgepropt dient te worden met allerhande grote en kleine arrangementen. Bovendien heeft de groep geen zin om hun nummers veel consistentie mee te geven, maar laten ze ze liever om de vijf maten van karakter veranderen. Dit gaat na een tijd enorm vermoeien, ook al omdat onder al die tierlantijntjes gewoon niet altijd een sterke song zit.

Nochtans toont ze in echte opener “Ydun” (na het overbodige niemendalletje “Holding The Sky”) dat ze uiteindelijk met haar stem, ergens een kruising tussen Sandy Denny en Grace Slick, het meeste indruk maakt. Die mag hier schitteren en draagt het middeleeuws aandoende nummer echt. De fluiten op de achtergrond zijn belangrijke sfeerscheppers, maar lopen de song nooit voor de voet. Ook “Goodbye”, waarbij McCarthy vooral de lagere regionen opzoekt, is gebaat bij een soberdere uitvoering. En wanneer de andere instrumenten invallen, heeft dit dan ook meteen effect. Daartegenover staan echter veel te drukke songs als “Wild Kids Rant”, waarop het duo een Waitske lijkt te willen doen, maar daar jammerlijk in faalt. Ook “Outing In The Country” is met zijn lage gitaren en percussie veel te log, net zoals afsluiter “Mountain”, dat wel vuur in zich heeft maar veel te lang doorgaat met donderen. Er zullen zeker wel luisteraars zijn die deze opeenstapeling van geflipte arrangementen kunnen smaken, maar voor de meer doorsnee fan zal het na een tijdje toch wat als te nodeloos uitputtend ervaren worden.

Neen, dan liever “O My Stars” of “Madmen & Dogs”, waar de percussie wel past om het verhalende karakter van de song mee vorm te geven. Ook het stemmenwerk van het duo haakt hier veel beter in op elkaar, net zoals in “Invitation”. “Country House Waits” doet dan weer in de verte wat aan Fairport Convention denken, wat altijd een goed teken is. Deze schaarse lichtpunten kunnen Born Of The Sun echter niet redden. Het is gewoon allemaal een beetje te veel van het goede, want ook uitzinnige gekte gaat na een tijdje vervelen. Faun Fables is duidelijke aan herbronning toe.

Ook Arc Iris, die zonet haar tweede soloalbum uitbracht, zit een beetje in hetzelfde schuitje als Faun Fables, als in dat ook zij in cirkeltjes rond haar eigen gekte draait. Niettemin levert ze uiteindelijk een plaat af die toch ietwat relevanter en urgenter klinkt dan Born Of The Sun. Jocie Adams, de naam waarmee je Arc Iris in de winkel mag aanspreken, stond vroeger op de loonlijst van The Low Anthem. Toen die groep echter een sabbatical hield, muisde zij er vanonder. Van haar debuutalbum waren wij echter niet bepaald on der de indruk, en we hoopten toen dat ze bij The Low Anthem haar stoel warm gehouden hadden. Heden ten dage is The Low Anthem zelf weer bij bewustzijn en bracht die groep met eyeland zelf een behoorlijk maffe plaat uit die een behoorlijke harde noot vormt om te kraken. En enkele maanden na die trip, lost hun ex-bandmaatje dus evenzeer een album dat nogal far out is. Gelukkig klinkt die nieuwe, boven de doopvont gehouden als Moon Saloon, al een pak beter en vooral minder geforceerd dan haar debuut. Adams vindt op deze tweede veel meer een eigen stem en lijkt toch een beetje meer te weten waar ze naar toe wil met haar muziek. Een stem bovendien die wel aansluit bij de meer gesjeesde kanten van de folk, maar die wel meer als een update aanvoelt dan de plaat van Faun Fables.

Zo is er de jazzy opener “Kaleidoscope”, dat beter is dan eender welke song op haar titelloze debuut. De gekte wordt net genoeg onder controle gehouden, de tegendraadse percussie speelt slim in op de bewegelijke stem van Adams, en ook de gitaar levert mooie bijdragen. “What is reality?/ Not this place I see”, zingt ze, en in haar geval kan je je daar wel iets bij voorstellen. Op “Kingdom Come” trekt de zangeres die jazzy sfeer door, maar iets meer laidback dan op de opener. Haar stem doet hier echter opnieuw wel heel hard aan Joanna Newsom denken, maar omdat de muziek eronder sterker is, stoort dat minder dan op haar debuut. Heel de eerste helft van de plaat lukt het Adams vervolgens om al te gekke uitspattingen in te houden, of het zou het gehuppel op “Pretending” moeten zijn, waarop ze haar stem in allerlei bochten wringt. Het stoort echter niet, en zeker wanneer ze wat meer de hoogte in gaat, geeft ze het nummer de nodige brandstof. Moon Saloon wordt hier zo bijna een plaat waarop het fijn niets doen is.

Na het iets te ingehouden en daardoor nogal bleke “Lilly”, compenseert Adams die rust echter met een opgezweepte en alle kanten uit schietende tweede helft. Het hyperactieve “Johnny” schudt je meteen wakker, en de arrangementen dienen hier niet meer om wat op weg te dromen, maar om je rode oren te doen krijgen. De ritmes op “Saturation Brain” zijn al even ADHD, net als het geskat van Adams op “Rainy Days”. Niet dat er iets mis is met de nummers op zich, integendeel: Adams weet veel meer dan vroeger waar ze naartoe wil en klinkt veel zelfverzekerder, wat de nummers ook echt sterker maakt. Maar tegen dat je bij de slepende slotslong/titeltrack bent, waarop ze de gekte lijkt te willen compenseren, heb je wel nood aan wat rust. Moon Saloon is zo een veel beter plaat dan Adams debuut, alleen loopt ze zichzelf in alle chaos soms wat voorbij. Dat maakt van deze tweede een goeie plaat, maar eentje die toch vooral in kleinere dosissen te consumeren valt.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

1 × vijf =