Akira Sakata & Jim O’Rourke with Chikamorachi & Merzbow :: Flying Basket

Hoogdagen voor wie de Japanse cultheld Akira Sakata een warm hart toedraagt. Vorig jaar tekende hij niet enkel voor een van de beste platen van het jaar, samen met pianist Giovanni Di Domenico, maar hij liet zich ook opmerken aan de zijde van Nacka Forum en drummer Paal Nilssen-Love, terwijl er ook een album met het Turkse Konstrukt verscheen. En daartussen ook nog dit potje lawaaimakerij met een bende collega-zwaargewichten.

En die collega’s zijn van zo’n kaliber, dat je ze er eigenlijk allemaal uit kan pikken om je focus op te leggen. Flying Basket is intussen de vijfde plaat van het duo Chikamorachi – drummer Chris Corsano en bassist Darin Gray – maar geen enkele van die platen werd opgenomen zonder gasten. Sakata was elke keer van de partij, gitarist Jim O’Rourke is er nu ook bij voor de derde keer. Het meest opmerkelijke is de aanwezigheid van vijfde man Masami Akita (Merzbow), de Japanse noisepionier die dit onderonsje in Tokyo definitief doet overhellen naar het terrein van de bloedlust.

Al loopt het allemaal niet zo’n vaart, en maar goed ook. Sakata jeremieert er minuten op los met die herkenbare, messcherpe sound voor het daadwerkelijk begint aan te zwellen met wrijfklanken van gitaar en bas, onderhuids gedonder van drums/percussie en de slissende analoge elektronica van Akita. Muziek die gestaag wordt opgebouwd, als betreft het een rite die stapsgewijs opgebouwd wordt, omdat dat nu eenmaal zo hoort. Na een tijd gaat het volume zacht omhoog, treedt Corsnao meer op de voorgrond, tot je na een minuut of tien beland bent bij een gevaarlijk borrelende ondergrond met daarop die steeds agressievere noise, een dichtgeprakte muur van geluid die je zachtjes, oh zo zachtjes, de nek omwringt.

En Sakata, die blijft maar gaan, vecht tegen de kervende uitschieters van O’Rourke en de woelige ritmesectie, om pas na een kwartier een eerste rustpauze in te lassen. En dat is maar goed ook, want deze ononderbroken improsessie van meer dan zeventig minuten kan die ademruimte best gebruiken. Het is dan ook mooi dat het kwintet niet koos voor de frontale aanval van voor tot achter, maar werkt met passages die verschillende uitersten kunnen verkennen, met in het tweede kwart een drone-achtige beweging met een kloppende puls die de weg bereidt voor een klarinetpartij van Sakata. Het is het moment waarop die Japanse verscheurdheid, dat heen en weer zwieren tussen de extremen van sobere ingetogenheid en complete waanzin, het knapst in de verf gezet wordt.

Even doet O’Rourke’s delicate aanpak zelfs wat denken aan de diffuse Americana van een Bill Frisell, al is dat natuurlijk van korte duur, want Akita blijft aansturen op sinistere oorden. En plots beland je in de broeierige zone tussen freejazz, verbasterde bluesnoise en totale freak-out die een jaar of dertig geleden al grondig verkend werd door Last Exit, al krijg je er nu het vieze elektronische geruis bij. Het leidt tot een uit z’n voegen barstend gebonk dat opnieuw terugplooit in zichzelf en een bloedend emotionele saxsolo van Sakata. Die steelt ook de show in de laatste opwaartse beweging, de finale vulkaanuitbarsting, door de kolossale geluidsmuur nog eens te voorzien van zijn dolle kreten. De waanzin is eindelijk compleet.

Het resultaat is een album dat zo ongeveer tegemoet komt aan de verwachtingen, zeker in de intense pieken, die ervoor zorgen dat het kabaal bijna pijn gaat doen. Extreme muziek voor liefhebbers die een stootje kunnen verdragen, maar die gelukkig ook laat horen dat de vijf kunnen spelen met dynamiek en soms de kleine geluiden en lage volumes het werk laten doen. En dat is nodig, want dit soort spul ondervind je nog altijd best zelf aan den lijve, omdat het een sensatie is die inbeukt op de zintuigen. De (relatieve) dosering maakt het enigszins verteerbaar, al had je er vooral bij willen zijn, die avond in juni van 2013, daar in Tokyo.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

een × vijf =