God Damn :: Vultures

Geen gebrek aan beukduo’s die heel wat grotere bezettingen verpulveren met hun massieve riffs en verpletterende sound. Zo denderen in eigen land Vandal X en Sardonis met decibels over de concurrentie heen en gebeurt hetzelfde in Duitsland met de keikoppen van Mantar. Van de overkant van de Noordzee komt nu God Damn overgewaaid. Bij momenten loeiend hard en heavy, maar tegelijkertijd met een been in de meer traditionele rocktraditie. En die combinatie wil niet altijd werken.

Als God Damn – gitarist Thom Edward en drummer Ash Weaver – het gaspedaal ingedrukt houdt, dan vinden er kleine seismische schokken plaats. Na een kort introstukje komt de gitaar van “When The Wind Blows” er meteen uit gevloeid in dikke, vette gulpen. In combinatie met het gejaagde drumstel en de schreeuwerige vocalen heeft het even iets van de noisy kabaalvariant van Today Is The Day, maar dat spelen met semipsychedelische effecten en melodieuze refreinen zouden Steve Austin & co nooit uitbrengen. Het zegt meteen ook iets over de aanpak van God Damn, die verschillende richtingen tegelijkertijd uitknalt, en dat met een rauwe, maar bombastische productie die even in your face als vermoeiend is.

De twee hebben het immers niet zo begrepen op het werken met een bescheiden aantal ideeën en combineren stijlen, geluiden en temperamenten met de ongedurigheid van een junk die dringend aan zijn fix toe is. En het gaat er soms verrassend catchy aan toe, ondanks de decibels en papperige distortion. “Silver Spooned” is eigenlijk een popsong met extreme zacht/luid-dynamiek (nu ja, eerder luid/loeihard) en doet de hoogdagen van 90s alt-metal heropleven, terwijl “Shoeprints” helaas herinnert aan het midden van de jaren negentig, toen elke parochie wel haar tussen grungerock en pompeuze metal twijfelende bende had.

Het is ergens wel bewonderenswaardig dat God Damn echt kan klinken als een band die zich zou kunnen meten met de geweldenaars uit de heavy regionen van sludge en er en passant in slaagt om invloeden uit rock en pop binnen te smokkelen, maar stilistisch voelt het nogal geforceerd aan. De combinatie van epische 70’s rock en metal van “By The Wayside” gaat werkelijk nergens naartoe, om nog maar te zwijgen van het vocale gekweel, ergens in de zone tussen Gaz Coombes en Billy Corgan. Idem voor het drammerige “We Don’t Like You”, of “Vultures”, op de wip tussen Cheap Trick, Smashing Pumpkins, bosjesmannenmetal en dreunende psychrock. Al is die aanval aan de start van “Vultures” wel een kopstoot van formaat, eerlijk is eerlijk.

Maar er passeren zoveel wendingen en studio-ingrepen dat je zou willen dat ze nu eindelijk eens komaf zouden maken met dat geforceerde experimenteren. En alsof al het voorgaande niet volstond, dan achten ze het ook nog nodig om “Skeletons” – een steekspel tussen akoestische singer-songwriterfolk en uit z’n voegen barstende gitaarbombast – negen minuten lang een circle jerk te laten uitvoeren. Dat de mannen kunnen spelen en ideeën te over hebben, lijdt geen twijfel, maar Vultures hinkt zo krampachtig op te veel gedachten tegelijk, dat het duo zichzelf voortdurend voorbij holt. En daar kan die gouden riff van “The Cut” – waarom zit die in godsnaam verstopt aan het einde van de plaat? – niks aan veranderen. We willen God Damn wel eens live meemaken om te horen hoe dat klinkt, maar die debuutplaat zorgt vooral voor een hoop frustratie bij de gedachte aan wat had kunnen zijn.

LAAT EEN REACTIE ACHTER

Schrijf uw reactie
Vul hier uw naam in

vijf × 1 =